Landenrechten regelen

Met de onlusten in het binnenland is de situatie rond de grondenrechten weer actueel geworden. Er is in DNA opgeroepen om deze zaak in het binnenland in orde te maken. De grondenrechten van de inheemsen en marrons in Suriname hebben betrekking op de rechten op de woon- en leefgebieden en natuurlijke hulpbronnen in Suriname. Over deze rechten bestaan uiteenlopende standpunten tussen de regering ten opzichte van de inheemsen en marrons. 

Op grond van artikel 41 van de Grondwet van Suriname is de staat eigenaar van alle natuurlijke rijkdommen en hulpbronnen. De inheemsen en marrons ontlenen hun rechten aan het feit dat zij generaties lang in de gebieden wonen en werken. Collectief eigendom wordt echter niet erkend in de Surinaamse wet, maar wel in het internationale recht. In verdragen wordt de vrijheid van slavernij van de marrons en hun rechten op territoriale en politieke autonomie erkend. Deze verdragen werden gesloten met het koloniale bestuur, maar worden niet erkend door de Surinaamse overheid. Door zichzelf te besturen aan de hand van eigen wetten en gewoonten zouden de marrons voldoen aan de internationale definitie van ‘in stam verband levende volken’ en ingevolge het internationale recht dezelfde rechten als de inheemse Surinamers genieten. 

Overheidshandelen in de jaren 1960 en 1970 perkten de woon- en leefgebieden in van dorpen als Galibi in het oosten en Apoera, Section en Washabo in het westen, en leidde tot onrust onder de bevolking. De inheemsen werden vertegenwoordigd door KANO, een samenwerkingsverband dat in 1969 werd opgericht; de letters staan voor KAlina (Caraïben) en LokoNO (Arowakken). Op initiatief van met name André Cirino en Nardo Aluman organiseerde KANO in de laatste vier dagen van december 1976 een protestmars van 150 kilometer vanuit het binnenland naar Paramaribo, met het doel het grondenrechten-vraagstuk onder de aandacht te brengen in het sinds een jaar onafhankelijk Suriname.

In de laatste weken van april 2023 waren er op verschillende plekken in Para protesten, omdat er opnieuw concessies waren verlengd van gronden die inheemsen tot hun gebied rekenen. Op 2 mei 2023 kwam het in Pikin Saron tot een geweldsuitbarsting. Het politiebureau werd aangevallen en voertuigen werden in brand gestoken en doorzeefd met kogels. Er vielen twee doden en meerdere gewonden. De regering trok hierna juristen aan om te onderzoeken of de verlengingen ingetrokken konden worden zonder dat het tot rechtszaken komt.

Sinds de onafhankelijkheid van Suriname is er een aantal wetten aangenomen die ingaan op de (gronden)rechten van de inheemse bevolking en met betrekking tot de plantages. Een aantal van deze wetten is voor meerdere uitleg vatbaar en worden door de overheid anders geïnterpreteerd wanneer het nationaal belang in het geding is. 

De politieke erkenning van grondrechten is voor de Amazone Partij Suriname een van de belangrijkste programmapunten. Met de L-Decreten werd in 1982 geprobeerd de bestaande grondwetgeving te herzien. Het belangrijkste punt in deze L-Decreten was dat grond vanaf dat moment slechts uitgegeven kon worden in de vorm van grondhuur. Titels uitgegeven voor 1982 bleven hun geldigheid behouden. 

Er zijn momenteel vier soorten grond in Suriname. Het allodiale eigendom is de oudste titel en werd onder bepaalde voorwaarden uitgegeven door de Nederlandse koloniale overheid, met als voornaamste dat de grond moest worden bewerkt. Verder bevatten deze titels in de meeste gevallen een bepaling dat de staat het recht had de grond terug te nemen wanneer deze daar reden voor zag. 

De meest volledige titel op grond die al in 1865 van kracht was in Suriname, is het absolute eigendom. Om te voorkomen dat de grond werd verlaten en onproductief zou worden, wordt deze titel nu nog slechts in bijzondere gevallen uitgegeven. 

Volgens de L-Decreten van 1982 zelfs alleen nog maar ten behoeve van het diplomatieke verkeer (voor het bouwen van ambassades).

De inheemsen en marrons beschikken niet over bovengenoemde titels op hun gronden. Daardoor wordt door sommigen aangenomen dat de binnenlandbewoners niet over “rechten” maar over “aanspraken” op de door hen bewoonde en gebruikte gronden beschikken. De overheid zou bij de uitgifte van dergelijke titels de “gewoonterechten” van de binnenlandbewoners dienen te eerbiedigen, in zoverre het algemeen belang zich hier niet tegen verzet. De inheemsen en marrons hebben hun toevlucht gezocht tot de Commissie voor en het Hof van de Mensenrechten van de Organisatie van Amerikaanse Staten om hun grondenrechten op te eisen. De Amerikaanse Verklaring inzake de Rechten van Inheemse Volken erkent de gronden en territoria die inheemse volken historisch hebben bewoond en bewerkt en hun traditionele landbouwmethoden. Onder “bewonen” en “gebruiken” wordt niet alleen bebouwen of cultiveren verstaan, maar alle vormen van landgebruik, inclusief jagen, verzamelen en vissen.

In de Moiwana-zaak van 2005 bepaalde het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens dat, Suriname het recht van een in stamverband levende gemeenschap op grondbezit had geschonden. Het Hof stelde dat het eigendomsrecht voortvloeit uit het traditioneel bewonen en gebruiken van gronden door de desbetreffende gemeenschap, zoals gedefinieerd in haar gewoonterecht. Het Hof stelde ook dat deze eigendomsrechten niet afhankelijk zijn van de nationale wetten van Suriname. 

Gedurende de jaren 1990 werd met toestemming van de Surinaamse overheid hout gekapt in het leefgebied van de Saramaccaners (Saamaka). Zij riepen hulp in van de Inter-Amerikaanse Commissie voor en het Hof voor de Rechten van de Mens. In november 2007 werd de Staat Suriname door dit hof veroordeeld. De staat werd schuldig bevonden aan het schenden van de rechten van de Saramaccaners op hun grondgebied. De Surinaamse overheid is verantwoordelijk voor de uitvoering van het zogenoemde Saamaka-vonnis. In dit vonnis is onder andere opgenomen dat het grondgebied van de stam der Saramaccaners gedemarkeerd moet worden en dat de grenzen met de omliggende stammen duidelijk vastgesteld dienen te worden.

De Saramaccaners en Matawai kwamen overeen dat de grenslijn van het Saramaccaanse gebied en Matawai gebied wordt bepaald door de rechteroever van de Saramaccarivier en de linkeroever van de Surinamerivier. 

Begin 2016 deed het Inter-Amerikaanse Hof een uitspraak in de zaak die Karaïbische en Arowakse dorpen aanspanden. In het vonnis wordt de Surinaamse staat gesommeerd binnen twee jaar aan de volken collectieve grondrechten op hun traditionele territorium toe te kennen. 

Al met al is er nog werk te verrichten wat betreft de uitvoering van deze vonnissen en het regelen van de grondenrechten in Suriname. 

error: Kopiëren mag niet!