De siliconen sarcofaag

Als archeoloog in het jaar 3026 sta ik gebogen over een opgraving die ooit “mens” werd genoemd. Het skelet is grotendeels intact. Ribben, wervelkolom en schedel laten weinig twijfel over de soort. Toch stuit de interpretatie op een anomalie.

Ter hoogte van de borstkas bevinden zich twee perfect symmetrische, gladde objecten, niet van bot, niet van steen, maar van een synthetisch materiaal dat de tand des tijds opmerkelijk goed heeft doorstaan.

Aanvankelijk veronderstelden we een rituele functie. Misschien waren dit offerobjecten, symbolen van vruchtbaarheid of status. Pas na vergelijking met digitale archieven uit de 21e eeuw werd het duidelijk: dit was geen ritueel, maar esthetiek. Het lichaam werd aangepast aan een ideaalbeeld dat tijdelijk dominant was in deze periode van laat-consumptief menselijk gedrag.

De ingreep was niet functioneel. Zij verbeterde geen overlevingskans, geen mobiliteit, geen gezondheid. Zij diende uitsluitend om te voldoen aan een visuele norm die door mode, commercie en sociale druk werd opgelegd. De mens van toen beschouwde het lichaam als een project, een platform voor optimalisatie, losgezongen van biologische noodzaak.

Ironisch genoeg zijn juist deze kunstmatige toevoegingen nu het best bewaarde deel van het individu. Het vlees verging, de botten verzwakten, maar het schoonheidsideaal bleef fossiel intact. Voor ons, duizend jaar later, is dit geen teken van vooruitgang, maar van een beschaving die dacht zichzelf te verbeteren en uiteindelijk vooral haar onzekerheid heeft geconserveerd.

error: Kopiëren mag niet!