“Een idioot is een idioot.
Twee idioten zijn twee idioten.
Tienduizend idioten vormen een politieke partij.”
In Suriname krijgt deze wijsheid extra smaak, alsof er madame-jeanette doorheen is geroerd. De dorpsgek kennen we. Die praat hard, heeft sterke meningen en weet altijd precies hoe het land gered moet worden, liefst vanaf een plastic stoel onder een amandelboom. Niemand neemt hem echt serieus, maar iedereen luistert toch, voor de lol.
Met twee dorpsgekken wordt het al gezelliger. Ze bevestigen elkaar, knikken heftig, en roepen “exact!” zonder te weten waarop.
Maar zodra het er tienduizend worden, verandert de dynamiek. Dan is het geen grap meer, maar een beweging. Er komen T-shirts, vlaggen, WhatsApp-groepen en een persconferentie. Plots heet de dorpsgek “volksvertegenwoordiger” en wordt zijn verwarde redenering gepresenteerd als “visie”. Kritiek wordt gezien als jaloezie of landverraad. Logica maakt plaats voor volume.
Het mooie is dat niemand zichzelf tot die groep rekent. Iedereen wijst naar de ander. De ironie is compleet: wie hardst roept dat hij geen idioot is, staat meestal vooraan. En zo draaien we vrolijk rond in hetzelfde kringetje, verkiezing na verkiezing.
Humor is dan onze redding. Want in Suriname lachen we om wat pijn doet. Wie niet kan lachen, eindigt verbitterd. En wie alles gelooft, eindigt… in een partij.
