Strafvervolging is het zwaarste middel dat de staat bezit. Wie kan beslissen wie wordt vervolgd en wie niet, beschikt over macht over vrijheid, reputatie en bezit. Juist daarom is het geen detail, maar een kernvraag van de rechtsstaat wie die beslissingen neemt en hoe dat systeem is ingericht.
In veel landen binnen het Engelse rechtssysteem, waaronder CARICOM-staten, is die vraag al lang beantwoord. Daar is vervolging bewust losgekoppeld van politieke macht. In Suriname niet.
In het Engelse model is de Attorney General een politieke figuur. Hij of zij is juridisch adviseur van de regering en meestal ook minister van Justitie en verantwoordelijk voor het algemene vervolgingsbeleid. De Attorney General legt verantwoording af aan het parlement. Dat is transparant, controleerbaar en politiek.
Maar – en dit is cruciaal – de Attorney General vervolgt niet zelf. De dagelijkse strafvervolging ligt bij de Director of Public Prosecutions, een onafhankelijke functionaris die zelfstandig beslist of een zaak wordt vervolgd of geseponeerd. Politieke instructies in individuele zaken zijn niet toegestaan. Er is geen hiërarchische bevelsrelatie.
Dit systeem is niet gebaseerd op wantrouwen tegen personen, maar op wantrouwen tegen macht. Het vertrekt vanuit een eenvoudige waarheid: politieke verantwoordelijkheid en strafvervolging mogen niet in dezelfde hand liggen.
Suriname heeft een ander model. Hier is de Procureur-Generaal (PG) tegelijk hoofd van het Openbaar Ministerie, hiërarchisch meerdere van alle officieren van justitie én onderdeel van een staatsstructuur die nauw verbonden is met de uitvoerende macht. De PG wordt benoemd door de regering voor het leven en heeft zowel beleidsmatige als operationele invloed op strafvervolging.
Dat betekent dat vervolgingsbeslissingen niet alleen juridisch, maar ook machtsmatig kunnen worden beïnvloed. Niet noodzakelijk omdat dat altijd gebeurt, maar omdat het kan. En in een rechtsstaat is dat al problematisch genoeg.
In Suriname bestaat wél een hiërarchische relatie binnen het Openbaar Ministerie. De Procureur-Generaal kan aanwijzingen geven, beleid sturen en in de praktijk ook invloed uitoefenen op individuele zaken. Daarmee vallen vervolgingsmacht, hiërarchie en politieke nabijheid samen in één functie.
Het verschil met het Engelse systeem is fundamenteel. Daar is politieke macht institutioneel gescheiden van concrete vervolgingsbeslissingen. Hier zijn ze geconcentreerd.
Sommigen zeggen: “Maar we hebben toch integere Procureurs-Generaal?” Dat argument mist de kern van de zaak. Een rechtsstaat mag nooit afhankelijk zijn van de persoonlijke integriteit van één functionaris. De rechtsstaat moet zo zijn ingericht dat zelfs een minder integere machthebber geen misbruik kan maken van het systeem.
Rechtsstatelijke waarborgen zijn geen luxe, maar noodremmen. Ze zijn er niet voor de goede tijden, maar voor de slechte.
Wanneer vervolging te dicht bij de macht staat, ontstaat een subtiele verschuiving. Strafrecht wordt dan niet alleen een instrument om recht te handhaven, maar ook een middel om druk uit te oefenen, tegenstanders te intimideren of ongewenste stemmen het zwijgen op te leggen. Vaak niet openlijk, maar via selectieve vervolging, traagheid, of juist opvallende voortvarendheid.
Dat hoeft geen complot te zijn. Het is een systeemrisico.
Het Engelse model heeft dat risico erkend en institutioneel beperkt. Niet door de macht van justitie te verzwakken, maar door haar te beschermen tegen politieke verleiding. Suriname heeft die stap nooit gezet. Niet uit onwetendheid, maar als gevolg van een bestuurscultuur waarin macht historisch sneller wordt georganiseerd dan tegenmacht.
Bescherming zonder waarborgen verandert langzaam in repressie. Dat gebeurt niet van de ene op de andere dag, maar via normalisering. Eerst uitzonderingen. Dan precedenten. Dan stilte.
Suriname staat voor een keuze om dit system te moderniseren. Of we accepteren dat strafrecht een verlengstuk blijft van macht, of we durven het debat aan over echte institutionele hervorming: over vervolgingsonafhankelijkheid, over scheiding van rollen, over tegenmacht.
Dat debat is geen aanval op justitie. Het is een poging om haar geloofwaardigheid te redden.
Wie zwijgt over systeemfouten, verdedigt geen stabiliteit, maar fragiliteit. En een rechtsstaat die alleen functioneert zolang iedereen zich “fatsoenlijk” gedraagt, is geen rechtsstaat, maar een afspraak op goed vertrouwen. Justitie hoort sterker te zijn dan macht.
Niet ernaast.
Niet eronder.
Maar ertegen beschermd.
Multan Singh
