De nacht was warm en traag, zo’n Paramaribo-nacht waarin de stad half slaapt en half waakt. De taxichauffeur parkeert zijn wagen, zet de motor uit en rekt zich uit. Nog één rit voordat hij naar huis gaat, denkt hij. Morgen schoolgeld, een lege koelkast, rekeningen die blijven liggen.
Wanneer hij de achterdeur opent om even te luchten, ziet hij het: een zwarte sporttas op de achterbank. Zwaar. Te zwaar. Zijn hartslag versnelt. Hij kijkt om zich heen, alsof de nacht meekijkt. Voorzichtig ritst hij de tas open. Bundels dollars. Veel. Meer geld dan hij in jaren heeft vastgehad.
De passagier schiet door zijn hoofd: zwijgzaam, pet diep over het gezicht, geen fooi, haastig uitgestapt. Geen naam. Geen nummer. Alleen een vage geur van sigaretten en spanning.
Hij sluit de tas en blijft zitten. Dit geld kan alles oplossen. Schulden. Medicijnen voor zijn moeder. Een betere toekomst. Niemand die het weet. Niemand die hem ziet.
Maar hij denkt ook aan zijn vader, die altijd zei: “Yu kan armoede habi, ma no skendi yu nem.” Je kunt arm zijn, maar verlies je naam niet.
Bij het politiebureau twijfelt hij nog één keer. Dan stapt hij uit, tas in de hand.
De nacht voelt kouder. Maar zijn rug staat rechter.
