Als je dacht dat het Surinaams Nationaal Leger zich voorbereidde op oorlog, denk opnieuw. De enige strijd die momenteel wordt gevoerd, is tegen lege magen en overrijpe bananen. Militairen klagen: de maaltijden smaken naar discipline, er is geen munitie, en de uniformen lijken rechtstreeks uit het museum van kolonel Brunswijk te komen.
Ondertussen werkt men “strategisch” aan zelfvoorziening — lees: landbouw. In Saramacca ploegen soldaten dapper door de modder bij het agrarisch bedrijf Von Freijburg, waar 100 man zwoegt om de republiek te redden met sopropo en tayerblad. De tractors draaien, maar de geweren roesten.
Dan, als klap op de papaya, verscheen enige tijd geleden Admiraal Alvin Holsey van het Amerikaanse SOUTHCOM op bliksembezoek. Iedereen dacht: “Oh, goede genade, we gaan in oorlog!” Maar nee hoor — hij kwam alleen kijken hoe ver we zijn met onze pomtayerstrategie voor regionale veiligheid.
Terwijl de soldaten zuchten onder de zon, vraagt men zich af: waar gaan al die landbouwproducten eigenlijk naartoe? Want op het bord belandt het niet. En met een minister van Defensie die meer op een plastic speelgoedpop lijkt dan een generaal, kun je alleen maar lachen. Of huilen. Maar lachen is goedkoper — net als hun rantsoen.
