Er hangt een onzichtbare vermoeidheid over Suriname. Niet de moeheid van werk, maar van herhaling — telkens weer dezelfde beloftes, dezelfde gezichten, dezelfde teleurstelling. Mensen werken hard, maar hun lonen verliezen waarde nog vóór ze worden uitbetaald. Studenten studeren, maar zien geen toekomst. Burgers stemmen, maar merken geen verschil.
Deze collectieve demotivatie is misschien wel de grootste bedreiging voor ons land. Want waar hoop verdwijnt, verdwijnt ook inzet. En zonder inzet stort elk systeem langzaam in, hoe mooi het op papier ook lijkt.
Toch is hoop geen luxeproduct. Ze groeit wanneer burgers zien dat eerlijkheid wérkt — dat hard werken loont, dat regels voor iedereen gelden, en dat wie steelt of liegt, wordt aangepakt. Eerlijk bestuur en betrouwbare informatie zijn dan geen idealen, maar noodzaak.
Suriname heeft energie, talent en wilskracht genoeg, maar mensen moeten het gevoel krijgen dat hun bijdrage iets betekent. Als dat besef terugkeert, herleeft ook de trots.
Want een land dat zijn hoop verliest, verliest niet zijn geld — maar zijn ziel.
