Ze staan daar weer. Microfoon. Vlag. Grote praat.
“Ons goud. Onze olie. Onze toekomst.”
Alsof ze een sprookje voorlezen aan een volk dat allang wakker is.
Het goud is al weg.
Niet gestolen. Nee. Netjes verkocht. Met handtekening. Met glimlach.
Op papier heet het “ontwikkeling”. In werkelijkheid: vertrekhal.
Bulldozers graven. Machines eten de grond.
En wat blijft over? Kraters. Stil water. Dode bossen.
Een landschap dat eruitziet als een slecht geschoren hoofd.
De politici wijzen naar cijfers. Groei! Investeringen! Partners!
Maar het volk ziet alleen lege zakken en volle vliegtuigen.
Vertrekkende experts. Aankomende excuses.
“Het komt goed,” zeggen ze.
Ja. Voor hen. Hun kinderen studeren in Europa. Hun geld woont daar al.
En hier?
Hier krijgen wij royalty’s. Fooi.
Alsof iemand je huis verkoopt en je een sleutel als souvenir geeft.
De olie? Niet van ons. Contracten fluisteren Frans.
Wij krijgen percentages. Zij krijgen de rest.
Een nationale jackpot… waar wij niet aan mogen trekken.
Staatsolie? Ja, dat is van ons.
Een eiland in een zee van uitverkoop.
Maar zonder ruimte om te groeien. Zoals een boom in beton.
Ze verkopen dromen zoals vroeger bauxiet werd verkocht.
“Rijkdom komt eraan.”
Ja. Hij kwam. En ging. Met de eerste vlucht.
En het volk?
Dat blijft. Werkt. Gelooft. Wacht. Tot de volgende belofte wordt verpakt in nieuwe woorden.
Het echte systeem draait perfect.
Niet de buitenlanders. Die doen gewoon zaken.
De echte magie zit lokaal: handtekeningen, knikken, stilzwijgen.
Conclusie: alles is nog steeds van ons…
we hebben alleen toestemming gegeven om het nooit meer terug te zien.
