In de 17e eeuw steunde de kerk het gebruik van mensenvlees in de geneeskunde. En artsen raadden huid, vlees en vet aan om ernstige ziekten te behandelen.
De bizarre praktijk was niet te wijten aan bijgeloof, maar aan logisch denken. Lichamen van lijkschouwingen werden vaak verkocht aan de apotheker om er medicijnen van te maken.
Het warme bloed van gladiatoren was felbegeerd in het Romeinse Rijk, schreef de historicus Plinius de Oudere rond 25 n.Chr.: ‘Het bloed wordt gedronken door epileptici, die geloven dat het effect het grootst is als je warm bloed rechtstreeks uit de dode man zuigt.’
Zelfs voor het Romeinse publiek, was de aanblik van kannibalisme schokkend. Maar Plinius maakte een simpele vergelijking: ‘We beven ook van schrik als we wilde dieren in de arena hetzelfde zien doen.’
Tot in de 19e eeuw zagen Europeanen het eten van vlees, bloed en vet van dode mensen niet als hekserij, maar als gezond verstand. De vraag was niet óf je een mens moest eten, maar eerder welk soort mens je het beste kon eten als een ziekte toesloeg. (Bron: Historia.nl)
