Het Nationaal FPIC‑protocol wordt gepresenteerd als de stem van de inheemse volken. Maar de dorpsgemeenschappen die het raakt, hebben het nooit gezien. Hoe kan van echte toestemming worden gesproken als de mensen zelf niet zijn geraadpleegd?
Het recente bericht over de ontmoeting tussen districtscommissaris Marvin Vijent van Marowijne Noord-Oost en de Vereniging van Inheemse Dorpshoofden in Suriname (VIDS) klinkt op het eerste gezicht als een stap richting samenwerking en respect voor inheemse rechten.
Toch roept het serieuze vragen op.
In het bericht wordt genoemd dat het Nationaal FPIC‑protocol voor inheemse volken en gemeenschappen in Suriname één van de documenten is waarop de overheid haar beleid moet afstemmen.
Wat echter niet wordt vermeld, is dat alleen VIDS en een beperkte groep betrokkenen weten hoe dit protocol er werkelijk uitziet.
De dorpsbewoners, namens wie het zogenaamd is opgesteld, hebben het document nooit gezien, besproken of goedgekeurd.
Free, Prior and Informed Consent (FPIC) is bedoeld om te waarborgen dat Inheemse gemeenschappen niet worden overvallen door besluiten die hun land, cultuur en toekomst beïnvloeden. Vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming vormt het hart van eerlijke besluitvorming.
Juist daarom is het zorgwekkend dat het nationale FPIC‑protocol zelf tot stand kwam zonder toepassing van diezelfde principes. Het document is nooit breed besproken in de dorpen en nergens konden bewoners bewust toestemming geven of weigeren. Desondanks wordt het naar buiten gebracht als een nationaal kader dat namens alle inheemse gemeenschappen spreekt.
VIDS vervult een nuttige ondersteunende rol als werkarm van de kapiteins, maar is geen zelfstandig traditioneel gezagsinstituut dat boven de dorpen staat.
Wanneer in naam van de dorpen beslissingen worden genomen zonder daadwerkelijke dorpsraadpleging, ontbreekt de basis voor echte vertegenwoordiging. De essentie van FPIC ligt in directe betrokkenheid van de gemeenschappen zelf. Dat betekent:
• Voorafgaande en volledige informatie over plannen en gevolgen.
• Toegankelijke uitleg in begrijpelijke taal.
• Tijd en ruimte voor intern overleg volgens eigen tradities.
• Besluiten die de gemeenschap zélf neemt en die bindend zijn.
Deze stappen hebben bij het nationale FPIC‑protocol niet plaatsgevonden. De dorpen hebben geen gelegenheid gehad om het document te beoordelen of te bekrachtigen.
Toch wordt het nu gepresenteerd als een officieel standpunt van de inheemse bevolking. Het resultaat is een pijnlijk contrast: een FPIC‑protocol dat zelf geen echte FPIC kent.
Dat ondermijnt de geloofwaardigheid van het principe en vergroot het wantrouwen tussen dorpen, organisaties en overheid. Om FPIC in Suriname geloofwaardig te maken, is openheid noodzakelijk. Het protocol moet openbaar worden gemaakt en in elk betrokken dorp in begrijpelijke vorm worden besproken. Elke gemeenschap moet de ruimte krijgen om het te beoordelen, wijzigen of af te wijzen.
Pas dan kan worden gesproken van een mandaat en van respect voor vrije, voorafgaande en geïnformeerde toestemming.
FPIC mag geen papieren werkelijkheid zijn.
Het is geen bezit van organisaties of instituten, maar een recht van de dorpen en hun gemeenschappen zelf. Echte samenwerking begint pas wanneer die stem centraal staat.
Earl Gerard Sabajo
