Oud-president José Mujica van Uruguay reed rond in een auto van 1.800 dollar. Geen konvooi. Geen paleis. Geen gouden kranen. Hij gaf 90 procent van zijn salaris weg. Hij hield ongeveer 1.250 dollar per maand over. Hij leefde als een gewone man. Geen theater. Geen toneelstuk. Gewoon realiteit.

En hier?
Hier groeit macht als schimmel. Stil. Vies. Overal.
De stoel is belangrijker dan het land. De handtekening is belangrijker dan de burger. Elke beslissing ruikt naar deals. Naar vriendjes. Naar familie. Naar achterkamers zonder ramen.
Ze zeggen dienstbaar. Ze bedoelen winst.
Een minister kijkt naar de staatskas alsof het een buffet is. Schep op. Nog een beetje. Niemand die vraagt wie betaalt. De rekening ligt toch bij de straat. Bij de man met een lege portemonnee. Bij de vrouw die prijzen ziet stijgen terwijl salarissen blijven liggen als natte was.
Was arm. Is arm. Blijft arm.
Niet omdat het niet anders kan. Maar omdat het zo hoort in het systeem. Een systeem waar regels bestaan op papier en verdwijnen in praktijk. Waar moraal een woord is voor toespraken. Niet voor daden.
Stel je voor. Een leider die geld teruggeeft. Die nee zegt tegen luxe. Die het land op één zet.
Absurd. Onmogelijk. Verdacht.
Want hier geldt één wet. Je mag alles doen. Zolang je niet wordt gepakt. En als je wordt gepakt, dan ken je iemand.
Dus wacht niet op een nieuwe Mujica. Die wordt hier niet geboren. Die wordt hier weggefilterd. Weggelachen. Weggestemd.
Conclusie: de armste president ter wereld was rijk. De rest is rijk en maakt het land arm.
