Suriname heeft een crisis. Niet door olie. Niet door prijzen. Door een crisisteam dat zelf een crisis is.
Er is een team. Presidentieel. Klinkt zwaar. Klinkt belangrijk. Maar wat doet het? Het zegt: benzine wordt duurder. Dat is geen plan. Dat is een mededeling. Dat kan elke pompbediende ook.
De prijs gaat omhoog. De cap verdwijnt. De overheid zegt: we kunnen het niet volhouden. Vertaling: we weten het niet meer. Dus laat het volk het oplossen.

GOw2 doet mee. Volksbedrijf, zeggen ze. Volksprijs? Nee. Maximale prijs. Het volk mag betalen. Bedrijf volgt gewoon de grens. Alsof dat beleid is. Alsof dat bescherming is.
En dan Staatsolie. Onze olie. Eigen bodem. Eigen rijkdom. Maar aan de pomp voelt het als buitenlandse luxe. Alsof het uit Dubai komt. Of van Mars. Wie bezit het echt? Het volk op papier. De prijs op straat zegt iets anders.
Het crisisteam kijkt toe. Zegt woorden. “Monitoring.” “Internationale ontwikkelingen.” “Prijsdruk.” Mooie termen. Geen oplossing. Geen plan. Geen richting.
Andere landen maken noodplannen. Scenario’s. Voorraadbeheer. Subsidies. Bescherming. Hier? Persconferentie. Microfoon. Stilte.
Het volk moet vertrouwen hebben. In wie? In halve verklaringen? In politieke priesters zonder wonderen? Elke week een nieuwe uitleg. Elke week dezelfde uitkomst. Duurder. Onzekerder.
Het wordt visueel. Een tafel. Veel mannen. Dikke dossiers. Geen inhoud. Buiten staat het volk. Met lege tank. Met volle rekening.
Het crisisteam zegt: blijf rustig. De markt regelt het. De markt? Dezelfde markt die alles duur maakt?
Misschien is dit het echte plan. Geen plan. Gewoon laten gebeuren. Kijken wie blijft staan.
Suriname heeft geen energiecrisis. Het heeft een denkcrisis. En die pomp je niet vol.
