Ik zit niet in Havana, maar ik hoor de muren daar ademen. Zwaar. Verstikt. Alsof elke straatsteen weet wat eraan komt. Minister Dirk Currie zegt dat vijf studenten terug willen. Vijf. Van ongeveer tweeëntwintig. De rest blijft hangen in een systeem dat al decennialang op pauze staat.
Cuba. Dat woord smaakt naar oude rook en ijzer. Sinds de Cuban Revolution leeft het eiland onder sancties van de Verenigde Staten. Dat begon toen Fidel Castro de macht greep en alles omgooide. Sindsdien wurgt Washington de economie langzaam. Geen explosie. Een langzame verstikking.

Ik zie flarden van 1962. De Cuban Missile Crisis. Russische schepen. Amerikaanse blokkade. De wereld op een randje. Eén verkeerde beweging en alles brandt. Dat moment is nooit echt verdwenen. Het is blijven hangen, als een echo.
En nu hoor ik Donald Trump opnieuw praten over regime change. Harder. Directer. Geen diplomatieke mist. Gewoon zeggen wat anderen fluisteren.
Paramaribo voelt ver weg, maar de illusie is dun. De regering onder Jennifer Simons kijkt. Wacht. Analyseert misschien. Maar wachten is hier geen strategie. Het is gokken met mensenlevens.
Ik stel me studenten voor die in Havana lopen. Zon op hun gezicht. Geen idee dat geopolitiek als een storm boven hen hangt. Vluchten sluiten snel. Ambassades verdwijnen. Grenzen worden ineens muren.
Dit is geen studieprogramma meer. Dit is een risicoberekening.
Als het escaleert, en dat patroon is oud en voorspelbaar, zitten ze vast. Geen vliegtuigen. Geen uitweg. Alleen verklaringen achteraf.
Dan wordt beleid geen beleid meer. Dan wordt het schuld.
Ik hoor het al: “We wisten het niet.”
Onjuist. De signalen schreeuwen.
