Suriname financierde Nederland stilzwijgend  

Nederland geeft hulp. Zo luidt het verhaal. Keurig verpakt. Met lintje. Met rapport. Met foto van een handdruk.

Maar draai het beeld om.

Eind jaren zestig. Begin jaren zeventig. Duizenden Surinamers stappen op het vliegtuig. Geen subsidie. Geen startpakket. Ze verkopen hun huis. Hun grond. Hun bezit. Alles om te vertrekken. Liquiditeit. In harde valuta. NF’s die veranderen in guldens.

Dat geld landt niet in Paramaribo. Dat geld landt in Amsterdam. Rotterdam. Den Haag.

Huizen worden gekocht. Hypotheken gestart. Banken gevoed. De Nederlandse vastgoedmarkt krijgt een injectie. Geen ontwikkelingshulp. Kapitaalimport.

Zweet wordt baksteen.

Dan 1975. Nog een golf. Massa. Onzekerheid. Angst. Besluit. Vertrek. Meer geld. Meer koopkracht. Meer vraag. Nederland groeit. Stil. Onzichtbaar. Niet in statistieken van “hulp”, maar in cijfers van consumptie.

Supermarkten draaien. Verzekeraars verdienen. Openbaar vervoer vult zich. Huurprijzen stijgen. Universiteiten schrijven in.

Surinaamse studenten betalen. Kamerhuur. Collegegeld. Zorgverzekering. Boodschappen. Elke maand opnieuw. Een constante stroom. Geen eenmalige gift. Structurele bijdrage.

En ondertussen het verhaal: Nederland helpt Suriname.

Interessant.

Want wie rekent de andere kant? Wie telt de miljoenen. Of miljarden. Die binnenkwamen via migratie. Via arbeid. Via consumptie. Via studiekosten.

Wie noemt dat ontwikkelingshulp terug?

Niemand.

Omdat het verhaal niet past. Het verstoort de hiërarchie. De donor moet donor blijven. De ontvanger moet dankbaar blijven.

Maar de werkelijkheid is minder netjes.

Suriname exporteerde geen goederen. Het exporteerde mensen. Met spaargeld. Met arbeid. Met ambitie. Met risico.

En Nederland importeerde dat. Graag zelfs.

Dus ja. Er was hulp.

Alleen niet in één richting.

error: Kopiëren mag niet!