Regeren vanuit het vliegtuig

Als burger kijk je soms naar de politiek alsof het een realityshow is, maar dan zonder pauzeknop. Het nieuwste seizoen lijkt te draaien om één vraag: wie was het vaakst in het vliegtuig en wie betaalde de rekening? Volgens uitspraken van VHP-parlementariër Mahinder Jogi zou de huidige president vaker in het buitenland zijn dan in het parlement. Dat klinkt ernstig, totdat je het geheugen een beetje opfrist.

Want als reizen een sport was, dan had de vorige president waarschijnlijk een medaillekast nodig gehad. In de periode van tweeduizend twintig tot mei tweeduizend vijfentwintig leek het soms alsof Suriname bestuurd werd vanaf dertigduizend voet hoogte. Elke maand een trip, soms twee, alsof Paramaribo slechts een tussenstop was. En dit alles terwijl de wereld tijdens covid grotendeels op slot zat. Terwijl gewone mensen thuis bleven, ging de diplomatieke kofferset gewoon mee.

Zelfs een gerespecteerde oud-president Venetiaan merkte op dat het misschien verstandiger was om het reizen wat te beperken. Niet vanwege vermoeidheid, maar vanwege kosten. Want vliegtickets, hotels en delegaties zijn geen gratis vakantie. Uiteindelijk betaalt de burger, ook als die nooit een luchthaven van binnen ziet.

Dan is er nog de ex-minister van Buitenlandse Zaken Albert Ramdin, die volgens critici vaker buiten dan binnen het land was. De grap gaat dat hij alleen terugkwam om zijn koffer opnieuw in te pakken. Of dat waar is, valt te betwijfelen, maar het beeld blijft hangen.

De kern van het probleem is eenvoudig: transparantie ontbreekt. Als de huidige regering een volledig overzicht publiceert van alle reizen en kosten uit het verleden, ontstaat er iets zeldzaams in de politiek: duidelijkheid. Dan wordt zichtbaar of kritiek terecht is, of slechts selectief geheugen.

Tot die tijd blijft het debat hangen tussen wolken en landingsbanen, terwijl de rekening gewoon op de grond blijft liggen.

error: Kopiëren mag niet!