Paramaribo kijkt toe studenten in Cuba dagen tellen. Minister Melvin Bouva van Buitenlandse Zaken, Internationale Handel en Samenwerking vraagt om formulieren. Alsof oorlog een administratieve keuze is.
“Geef aan wat je wilt.”
Alsof veiligheid optioneel is. Alsof raketten wachten op registratie. De staat schuift verantwoordelijkheid door. Niet evacueren. Eerst inventariseren. Eerst papier. Dan misschien actie. Bureaucratie als reddingsplan.
Ondertussen schuiven grootmachten schaakstukken. De Verenigde Staten voert de druk op. Sancties al decennia. Economische wurging als strategie. Nu strakker. Olie dicht. Adem afknijpen. Niet alleen de regering. Ook de bevolking.
De logica is simpel. Maak het leven ondraaglijk. Wacht op opstand. Noem het democratie.
En Suriname?
Stuurt formulieren.
Studenten zitten vast tussen ideologie en administratie. Tussen geopolitiek en stilzwijgen. De vraag is niet wat zij willen. De vraag is wat de staat moet doen. Beschermen. Evacueren. Handelen.
Maar beleid lijkt een invuloefening. Alsof gevaar netjes in vakjes past. Alsof crisis een spreadsheet is. De realiteit is rauwer. Onvoorspelbaar. Hard.
Wie wacht op een perfect overzicht, wacht te lang. De geschiedenis leert één ding. Grote landen spelen. Kleine landen twijfelen. Burgers betalen.
En ergens in Cuba vult een student een formulier in. Met de vraag of hij wil blijven. Of vertrekken.
Alsof dat nog een vrije keuze is.
