Kritiek op de Surinaamse strafvorderlijke praktijk

Voorlopige hechtenis, politiegeweld en de uitholling van het martelverbod

1. Inleiding

De strafvorderlijke praktijk van een rechtsstaat wordt uiteindelijk beoordeeld op één fundamentele vraag: respecteert de staat de rechten van de verdachte terwijl zij criminaliteit bestrijdt? Wanneer de staat die balans verliest, verandert strafvordering van een instrument van rechtshandhaving in een instrument van macht.

In Suriname groeit in de rechtspraktijk en in de advocatuur een zorgwekkende observatie: verdachten blijven soms in voorlopige hechtenis terwijl de verdenking mede steunt op verklaringen die onder zware druk of mishandeling tijdens politieverhoren tot stand zijn gekomen.

Hoewel het recht formeel een absoluut verbod op marteling kent, lijkt de strafvorderlijke praktijk dit verbod niet altijd effectief te beschermen.

2. Het normatieve kader: een absoluut verbod

Het verbod op marteling behoort tot de zwaarste normen van het internationaal recht.

In de Grondwet van Suriname wordt de lichamelijke en geestelijke integriteit van de mens beschermd. Daarnaast is Suriname gebonden aan internationale verdragen zoals het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten en het VN-Verdrag tegen Foltering.

Deze instrumenten verplichten staten niet alleen om marteling te verbieden, maar ook om: effectief onderzoek te verrichten naar beschuldigingen van marteling, verantwoordelijke ambtenaren te vervolgen, en verklaringen verkregen door marteling volledig uit te sluiten van bewijs.

Het martelverbod is bovendien een ius cogens-norm: een regel waarvan geen enkele staat mag afwijken.

3. De Surinaamse praktijk: een juridisch spanningsveld

Ondanks dit duidelijke normatieve kader lijkt de strafvorderlijke praktijk in Suriname een problematische dynamiek te kennen.

In veel strafzaken wordt de basis voor voorlopige hechtenis gevormd door:

politieverklaringen van verdachten, 

verklaringen van medeverdachten tijdens verhoor,

processen-verbaal van opsporingsambtenaren.

Wanneer later twijfel ontstaat over de wijze waarop deze verklaringen zijn verkregen — bijvoorbeeld door mishandeling of intimidatie — betekent dit niet automatisch dat de voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

De redenering luidt vaak dat er nog voldoende verdenking resteert om de detentie te rechtvaardigen. Hierdoor kan een verklaring die mogelijk onder dwang tot stand is gekomen toch indirect invloed blijven uitoefenen op het strafproces.

4. De systemische zwakte van het Surinaamse strafproces

Deze praktijk wijst op een aantal structurele zwaktes in het Surinaamse strafproces.

a. Overmatige afhankelijkheid van politiebekentenissen

In veel strafzaken vormt de verklaring van de verdachte bij de politie nog steeds een centraal bewijsstuk. In moderne strafrechtsstelsels wordt juist geprobeerd deze afhankelijkheid te verminderen door meer nadruk te leggen op objectief bewijs.

b. Zwakke controle op politieverhoren

Het ontbreken van systematische audiovisuele registratie van verhoren maakt het moeilijk om achteraf vast te stellen onder welke omstandigheden een verklaring is afgelegd. Hierdoor ontstaat een bewijsprobleem wanneer een verdachte mishandeling stelt.

c. Terughoudendheid van rechters bij bewijsuitsluiting

Rechters blijken in de praktijk vaak terughoudend te zijn met het volledig uitsluiten van bewijs of het opheffen van voorlopige hechtenis. Dit kan leiden tot een situatie waarin procedurele rechten van verdachten onvoldoende worden beschermd.

5. Het gevaar van impliciete tolerantie

Het grootste risico van deze praktijk is niet dat marteling formeel wordt toegestaan — dat gebeurt immers niet — maar dat zij impliciet wordt getolereerd.

Wanneer politieambtenaren weten dat een onder druk verkregen verklaring toch kan bijdragen aan:

arrestatie,

voorlopige hechtenis,

of de opbouw van een strafzaak,

dan ontstaat een institutionele prikkel om de grenzen van het recht op te zoeken.

Het systeem straft het gebruik van geweld dan niet effectief, maar neutraliseert het slechts gedeeltelijk.

6. Internationale rechtsontwikkeling

Internationale jurisprudentie benadrukt dat staten geen enkel voordeel mogen halen uit marteling.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft herhaaldelijk geoordeeld dat niet alleen door marteling verkregen verklaringen zelf moeten worden uitgesloten, maar ook bewijs dat uit dergelijke verklaringen voortvloeit.

Hoewel Suriname niet onder de rechtsmacht van dit hof valt, weerspiegelt deze jurisprudentie een bredere internationale rechtsontwikkeling die relevant is voor elke democratische rechtsstaat.

7. Hervormingsvoorstellen

Indien Suriname het martelverbod effectief wil waarborgen, zijn enkele institutionele hervormingen noodzakelijk:

verplichte audiovisuele registratie van politieverhoren;

strikte bewijsuitsluiting bij aanwijzingen van mishandeling;

automatische rechterlijke toetsing van voorlopige hechtenis wanneer marteling wordt gesteld; onafhankelijke onderzoeken naar politiegeweld.

Zonder dergelijke hervormingen blijft het risico bestaan dat het martelverbod slechts een norm op papier blijft.

8. Conclusie

De Surinaamse strafvorderlijke praktijk bevindt zich op een kruispunt. Enerzijds bestaat er een helder constitutioneel en internationaal kader dat marteling absoluut verbiedt. Anderzijds laat de praktijk zien dat verklaringen die onder dubieuze omstandigheden zijn verkregen soms toch een rol blijven spelen in de strafvordering.

De kernvraag is daarom niet of marteling formeel verboden is — dat staat buiten twijfel — maar of het strafproces voldoende institutionele waarborgen bevat om dat verbod daadwerkelijk te handhaven.

Een rechtsstaat wordt uiteindelijk niet beoordeeld op de schoonheid van haar wetten, maar op de moed om die wetten ook tegen de macht van haar eigen instituties te handhaven.

Multan Singh

error: Kopiëren mag niet!