De straatverkoper stapt voorzichtig in. Zijn handen ruiken naar sinaasappels, zijn kleren zijn versleten maar schoon.
“Niet ver, chauffeur,” zegt hij. “Mi moni no de.”
De rit kost weinig. Bij aankomst telt de man langzaam zijn geld. Te langzaam. Hij legt het neer en stapt uit.
De chauffeur kijkt. Te veel. Veel te veel.
“Mi brada!” roept hij. “Je gaf me teveel.”
De man draait zich om. Zijn schouders zakken. Tranen komen zonder waarschuwing.
“Neem het maar,” zegt hij. “Vandaag verkocht ik niks. Maar u reed me veilig.”
Hij vertelt over zijn kinderen. Over regen die zijn kraam kapot maakte. Over dagen zonder verkoop, maar met honger.
De chauffeur geeft het geld terug. Alles.
“Ga naar huis,” zegt hij. “Morgen is er weer zon.”
De man knikt, veegt zijn gezicht af.
Soms is een fooi geen geld.
Maar een schreeuw om gezien te worden.
