Het begon telkens hetzelfde. Opeens was er AIDS, daarna Ebola, later Covid-19 en tussendoor nog een reeks mysterieuze virussen met moeilijke namen. Steeds opnieuw werd de wereld verrast, steeds opnieuw was men âniet voorbereidâ, en steeds opnieuw werd angst het krachtigste exportproduct. Toeval, zo werd gezegd. Natuur. Pech.
Maar wie beter kijkt, ziet patronen.
Terwijl ziekenhuizen overliepen en samenlevingen op slot gingen, draaiden andere systemen juist op volle toeren. Farmaceutische reuzen boekten recordwinsten. Digitale platforms groeiden explosief. Overheden ontdekten hoe makkelijk noodwetten vrijheid konden inperken âvoor uw veiligheidâ.
Het officiële verhaal zegt: virussen springen over van dier op mens. Het alternatieve verhaal fluistert: wie financiert het onderzoek, wie bezit de patenten, wie beslist wat wel en niet gezegd mag worden? Waarom verdwijnen kritische stemmen sneller dan het virus zelf?
Elke crisis had winnaars. Niet de verpleegkundige. Niet de kleine ondernemer. Maar zij die vaccins verkochten, data verzamelden en macht centraliseerden. Angst bleek een goudmijn.
Dit is geen bewijs, slechts een vraag. Maar misschien is dat wel het gevaarlijkste: dat we gestopt zijn met vragen stellen. Want in een wereld waar elke ziekte onverwacht komt, lijkt het soms alsof vooral één ding altijd perfect gepland is: wie eraan verdient.
