Het ingediende wetsvoorstel van de NPS-Assembleeleden Poetini Atompai en Jerrel Pawiroredjo om salarissen binnen de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht te verlagen, raakt aan kernvragen van constitutioneel recht, arbeidsrecht en staatsfinanciën. Een fiscaal jurist zal allereerst toetsen of bestaande rechtsposities kunnen worden aangetast zonder strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel.
De centrale vraag is of zittende functionarissen in hun bezoldiging kunnen worden teruggebracht. In beginsel geldt dat verworven rechten bescherming genieten. Voor gekozen volksvertegenwoordigers kan de wetgever in theorie de bezoldigingsregeling aanpassen, mits dit niet in strijd is met specifieke constitutionele waarborgen.
Voor leden van de rechterlijke macht ligt dit gevoeliger. In veel rechtsstelsels geldt een expliciet verbod op vermindering van rechterlijke salarissen tijdens de ambtsperiode, ter bescherming van de onafhankelijkheid van de rechtspraak. Indien een dergelijke bepaling in de nationale constitutie is verankerd, is verlaging gedurende de zittingstermijn juridisch problematisch.
Een mogelijke oplossing is het invoeren van een aanpassing die uitsluitend geldt voor toekomstige ambtstermijnen. Daarmee wordt het risico van strijd met verworven rechten beperkt. De ingangsdatum kan juridisch pas na publicatie en inwerkingtreding van de wet plaatsvinden. Terugwerkende kracht ten nadele van betrokkenen is in het staatsrecht uitzonderlijk en doorgaans onhoudbaar.
Internationaal bestaan precedenten. Tijdens de financiële crisis van 2008–2013 hebben landen als Ierland, Portugal en Griekenland tijdelijke salarisverlagingen doorgevoerd voor publieke functionarissen, inclusief parlementsleden en ministers. In sommige gevallen leidde dit tot constitutionele procedures waarbij rechters ingrepen wanneer de maatregel onevenredig werd geacht of de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht aantastte. De kernles uit die jurisprudentie is dat proportionaliteit en gelijke behandeling essentieel zijn.
De politieke vraag of zichtbaar wordt wie voor of tegen salarisverlaging stemt, hangt af van het stemregime in De Nationale Assemblée. Indien hoofdelijk of openbaar wordt gestemd, is de stemkeuze per lid publiek controleerbaar. Dat vergroot transparantie, maar kan ook politieke druk creëren.
Argumenten vóór het voorstel zijn begrotingsdiscipline, symbolische solidariteit in tijden van economische spanning en herijking van beloningsstructuren. Argumenten tegen zijn mogelijke aantasting van institutionele onafhankelijkheid, risico op juridisering en het gevaar dat lagere beloningen de kwaliteit of integriteit van ambtsdragers negatief beïnvloeden.
De uiteindelijke juridische houdbaarheid zal afhangen van de precieze formulering van het wetsvoorstel, de constitutionele waarborgen inzake bezoldiging en de gekozen overgangsregeling. Zonder zorgvuldige afbakening is de kans op constitutionele toetsing aanzienlijk.
