Solidariteit te koop: als crisis eenrichtingsverkeer wordt

Telkens wanneer Suriname in crisis belandt, klinkt dezelfde oproep: “Het volk moet solidair zijn.” En met “het volk” bedoelt men opvallend vaak dezelfde groep: mensen die elke maand puzzelen om stroom, water en schoolgeld te betalen. Zij worden gevraagd te doneren, te offeren, begrip te tonen. 

Ondertussen blijven de welgestelden – met volle garages en stille bankrekeningen – opvallend discreet.

Het is een vreemde vorm van solidariteit: van beneden naar boven. De marktverkoper wordt aangesproken op zijn plicht, de verpleegkundige op haar hart, de gepensioneerde op zijn laatste spaargeld. Maar waar zijn de benefietavonden in villawijken? Waar zijn de openbare donaties van mensen die het kunnen missen? Die zie je zelden, en als ze er zijn, dan graag met camera, applaus en aftrekpost.

Dit heet satirisch genoeg “samen de schouders eronder zetten”, terwijl sommige schouders nooit onder de last komen. Wie echt arm is, doneert vaak het meest: tijd, eten, zorg. Wie rijk is, doneert vooral advies over zuinig leven.

Misschien is het tijd om de vraag om te draaien. Niet: wat kan het arme volk nog geven? Maar: waar blijft de verantwoordelijkheid van wie altijd buiten schot blijft? Solidariteit is geen collecte die altijd langs dezelfde deur gaat.

error: Kopiëren mag niet!