Suriname bevindt zich in een merkwaardige situatie waarin de dagelijkse ervaring van burgers en de officiële communicatie van de overheid steeds verder uit elkaar groeien. Terwijl georganiseerde ontvoeringen en geplande overvallen plaatsvinden met logistiek, voertuigen en coördinatie, worden burgers gerustgesteld met percentages, daling curves en verwijzingen naar juridische procedures. Op papier lijkt beleid rationeel. Op straat is het instinctief: wie om zich heen kijkt, ziet geen grafieken maar gezichten vol waakzaamheid.
Wanneer een vrouw in de vroege ochtend wordt overvallen bij thuiskomst en een man vanaf zijn eigen erf wordt ontvoerd zonder spoor, spreekt dat niet van impulsieve criminaliteit. Dit zijn operaties die planning vereisen. Een criminoloog zou hier spreken van georganiseerde netwerken met informatievoorziening, logistiek en mogelijk financiële rugdekking. Dat veronderstelt hiërarchie, discipline en een zekere mate van straffeloosheid. Zulke structuren floreren niet in een vacuüm. Zij groeien waar handhaving inconsistent is en waar pakkans laag blijft.
De officiële reactie volgt een vast patroon. Er wordt benadrukt dat “onderzoek gaande is”. Er wordt gewezen op eerdere successen. Er wordt verwezen naar wetgeving. Vervolgens volgt een statistische vergelijking met voorgaande jaren. Het is een opmerkelijk ritueel. Alsof angst kan worden geneutraliseerd door percentages. Alsof een ontvoering minder ingrijpend is wanneer zij statistisch onder het regionale gemiddelde valt.

Hier begint de werkelijkheid. In een land waar burgers extra sloten installeren, beveiligingscamera’s ophangen en hun bewegingsvrijheid beperken, verschijnt de overheid met een PowerPointpresentatie. De misdaad is zichtbaar in de straat. De oplossing is zichtbaar op het scherm. De kloof daartussen wordt niet benoemd.
Psychologisch gezien is het effect voorspelbaar. Herhaalde blootstelling aan geweld verhoogt stressniveaus en creëert chronische waakzaamheid. Mensen passen hun gedrag aan. Zij mijden avondactiviteiten. Zij wantrouwen onbekenden. Zij trekken zich terug uit publieke ruimtes. Kinderen groeien op met het idee dat ontvoering en gewapende roof onderdeel zijn van het normale leven. Dit normaliseren van dreiging ondermijnt het collectieve veiligheidsgevoel. En zonder collectief veiligheidsgevoel verzwakt sociaal vertrouwen.
Maar in plaats van een fundamentele discussie over capaciteit, prioritering en institutionele zwakte, ontstaat een andere dynamiek. De nadruk verschuift naar communicatiebeheer. De boodschap moet kalm zijn. De toon moet geruststellend blijven. Het resultaat is een paradox: hoe vaker burgers concrete dreiging ervaren, hoe abstracter de officiële taal wordt.
Een criminoloog zou wijzen op de noodzaak van gerichte opsporing, financiële analyse en ontmanteling van netwerken. Niet alleen arrestaties van uitvoerders, maar het isoleren van leidinggevenden en het blokkeren van geldstromen. Georganiseerde misdaad functioneert als een bedrijf. Het heeft investeerders, logistiek, informatiekanalen. Wie slechts de uitvoerder oppakt, vervangt één werknemer. Wie de geldstroom afsnijdt, ontmantelt het model.
In plaats daarvan lijkt het beleid soms te blijven steken in zichtbare symboliek. Extra patrouilles na incidenten. Tijdelijke checkpoints. Publieke verklaringen over streng optreden. Het probleem is niet dat deze maatregelen zinloos zijn, maar dat zij vaak reactief blijven. Structurele ontmanteling vereist langdurige inzet, gespecialiseerde eenheden, technologische ondersteuning en internationale samenwerking waar nodig.
Satirisch bezien ontstaat een absurd beeld. Burgers berekenen hun risico’s voordat zij boodschappen doen. Ondernemers overwegen of investeren nog rationeel is. Ondertussen bespreekt men in vergaderzalen de formulering van persverklaringen. De misdaad opereert met voertuigen en planning. De reactie opereert met paragrafen en komma’s.
De perceptie dat “gangsters het land in handen hebben” is emotioneel, maar zij ontstaat niet uit het niets. Perceptie volgt ervaring. Wanneer incidenten zichtbaar zijn en resultaten onzichtbaar blijven, ontstaat een vacuüm van vertrouwen. En in dat vacuüm groeit cynisme. Cynisme is maatschappelijk corrosief. Het vermindert aangiftebereidheid. Het ontmoedigt samenwerking met autoriteiten. Het ondermijnt het geloof in rechtsgelijkheid.
Veiligheid is geen abstract juridisch concept. Het is een psychologisch fundament. Zonder dat fundament verschuift gedrag. Buurtcontact vermindert. Sociale cohesie brokkelt af. Ondernemers investeren minder. De economie vertraagt niet alleen door externe factoren, maar ook door interne onzekerheid. Angst heeft een kostprijs die niet in begrotingsstukken verschijnt.
Het monopolie op geweld is een kernfunctie van de staat. Wanneer burgers zelf beveiliging organiseren en hun leefruimte inperken, verschuift dat monopolie feitelijk. Niet formeel, maar praktisch. De staat behoudt haar wettelijke bevoegdheid, maar verliest morele geloofwaardigheid als bescherming als onvoldoende wordt ervaren.
De satire wordt pijnlijk wanneer men zich realiseert dat elk incident kan worden voorzien van een statistische context. Elk drama kan worden geplaatst in een grafiek. Maar geen grafiek corrigeert het gevoel van hulpeloosheid wanneer bescherming uitblijft. Geen percentage verlaagt het cortisolniveau van een bevolking die structurele dreiging ervaart.
Een effectief beleid vereist meer dan verklaringen. Het vereist meetbare resultaten, transparantie over voortgang en zichtbare ontmanteling van criminele structuren. Het vereist investeringen in recherchecapaciteit, financiële expertise en internationale samenwerking. Het vereist ook politieke prioriteit. Criminaliteit kan niet secundair zijn aan imago.
Wanneer een samenleving het gevoel krijgt dat misdaad systematisch georganiseerd is en handhaving incidenteel reageert, ontstaat een psychologische gijzeling. Niet door een enkele groep, maar door een combinatie van angst en institutionele traagheid. Dat is het werkelijke risico.
De vraag is niet of Suriname objectief het hoogste criminaliteitscijfer heeft. De vraag is of burgers subjectief het gevoel hebben beschermd te worden. Zodra dat vertrouwen verdwijnt, verdwijnt ook maatschappelijke energie. Angst fragmenteert. Fragmentatie verzwakt. En een verzwakte samenleving is vruchtbare grond voor precies die georganiseerde netwerken die men zegt te bestrijden.
Statistieken kunnen trends tonen. Zij kunnen beleid ondersteunen. Maar zij kunnen geen straat bewaken. Zolang de dagelijkse ervaring van burgers niet overeenkomt met de officiële geruststelling, blijft de indruk bestaan dat het land in gijzeling is. Niet alleen door criminelen, maar door een beleid dat de ernst erkent in woorden, maar onvoldoende zichtbaar weerlegt in daden.
