De klimaatcrisis wordt vaak benaderd als een technisch of economisch vraagstuk. Toch is zij in wezen ook een morele kwestie. Binnen de islamitische traditie bestaat het concept van rentmeesterschap, khalifa, dat de mens aanduidt als beheerder van de aarde. Dit beheer impliceert verantwoordelijkheid, niet onbeperkte exploitatie.
De aarde wordt niet gezien als bezit van de mens, maar als toevertrouwd domein waarvoor hij rekenschap moet afleggen.
In de Koran wordt herhaaldelijk gewezen op balans, mizan, in de schepping. Verstoring van die balans door overmatig gebruik van grondstoffen of verspilling wordt moreel afgekeurd.
Klimaatverandering kan vanuit dit perspectief worden begrepen als gevolg van menselijk handelen dat de natuurlijke orde ontwricht. Het religieuze kader verschuift de discussie daarmee van louter beleidskeuzes naar ethische plicht.
Toch blijft de praktijk achter bij het principe. In veel overwegend islamitische landen is milieubeleid ondergeschikt aan economische groei of politieke prioriteiten. Dat wijst op een kloof tussen normatieve leer en maatschappelijke uitvoering. Rentmeesterschap vraagt niet alleen individuele gedragsverandering, maar ook institutionele verantwoordelijkheid, zoals duurzame energie, waterbeheer en beperking van vervuiling.
Moskeeën en religieuze leiders kunnen hierin een rol spelen door milieubewustzijn te integreren in preken en onderwijs. Wanneer ecologische zorg wordt gepresenteerd als onderdeel van religieuze toewijding, krijgt duurzaamheid een bredere legitimatie.
Islam en klimaatverantwoordelijkheid staan niet los van elkaar. Het concept van rentmeesterschap biedt een theologisch fundament voor milieubescherming. De uitdaging ligt in de vertaling van dit principe naar concreet beleid en dagelijks gedrag. Zonder die vertaling blijft rentmeesterschap een ideaal. Met daadwerkelijke toepassing kan het bijdragen aan een ethisch gemotiveerde benadering van een mondiale crisis.
YASSIN
