Op een warme ochtend in Paramaribo stond Ravi voor een overheidsgebouw met een map vol documenten. Hij wilde een klein bedrijf beginnen. Alles had hij voorbereid: investeerders gevonden, leveranciers benaderd, een plan geschreven. Binnen vertelde men hem dat er nog een extra vergunning nodig was. En daarna nog een. En misschien een “aanbeveling”. Buiten, op het trottoir, zag hij een ander bedrijf zonder zichtbare hindernissen uitbreiden. Hij vroeg zich af wat hij miste.
In Suriname wordt vaak gezegd dat iedereen kansen heeft, mits men hard werkt. Dat verhaal leeft sterk. Toch merken veel burgers dat inzet alleen niet doorslaggevend is. Toegang tot netwerken, politieke nabijheid en informele invloed blijken minstens zo bepalend. Procedures kunnen streng en langdurig zijn, maar soms ook opvallend soepel. Dat verschil voedt het gevoel dat regels niet overal hetzelfde wegen.
Dit patroon beperkt zich niet tot ondernemers. Studenten zoeken stages, professionals jagen op promoties, kleine aannemers dingen mee naar opdrachten. Steeds duikt dezelfde vraag op: gaat het om kwaliteit of om connecties? Natuurlijk bestaan er succesvolle voorbeelden die puur op vakmanschap zijn gebouwd. Maar wanneer kansen structureel samenkomen bij een beperkte kring, ontstaat twijfel over de eerlijkheid van het systeem.
De kern van het probleem is vertrouwen. Zonder transparantie in aanbestedingen, duidelijke criteria bij vergunningen en onafhankelijke controle groeit het idee dat het spel wel zichtbaar is, maar de werkelijke regels niet. Dat idee tast motivatie aan en ondermijnt sociale mobiliteit.
Ravi staat nog steeds in de rij. Hij gelooft in zijn plan. Maar hij begrijpt nu dat ondernemerschap in Suriname niet alleen vraagt om kapitaal en moed, maar ook om inzicht in een landschap waar formele regels en informele macht elkaar voortdurend kruisen.
