Taxi naar de gevangenis

Het is nog vroeg wanneer de man instapt, maar zijn ogen zijn al moe. Hij draagt een versleten overhemd, strak dichtgeknoopt, alsof hij zichzelf bijeenhoudt.
“Politie”, zegt hij. “Hoofdbureau.”

De chauffeur knikt en rijdt weg. De stad ontwaakt langzaam: een marktverkoper zet zijn kraam op, een schoolkind zwaait met een tas die te groot lijkt voor zijn lijf. De man op de achterbank volgt alles zwijgend, zijn handen ineengevouwen, knokkels wit.

Na een paar minuten breekt hij.
“Het is van lang geleden”, zegt hij. “Maar schuld wordt niet oud.”

Hij vertelt over een nacht, een fout, geld dat hij nam toen hij dacht dat niemand het zou merken. Daarna een gezin, kinderen, werk. Jarenlang leefde hij recht, maar elke keer als hij langs een politieauto reed, kneep zijn maag samen.
“Mijn zoon denkt dat ik sterk ben”, fluistert hij. “Vandaag wil ik hem niet meer voorliegen.”

De gevangenis doemt op. De man begint te trillen. Angst zweet uit zijn poriën. Hij ademt snel, alsof hij wil wegrennen.
“Rijd door”, zegt hij even. Dan schudt hij zijn hoofd. “Nee. Stop.”

De chauffeur zet de meter uit.
“Sterkte, papa”, zegt hij zacht.

De man stapt uit, recht zijn rug en loopt naar binnen.
De taxi rijdt weg.
Achterblijft angst… en eindelijk rust.

error: Kopiëren mag niet!