De eerste maanden van het nieuwe bestuur voelen voor veel burgers als een proefperiode zonder handleiding. Verwachtingen waren hoog, toespraken ambitieus, en plannen klonken alsof morgen alles anders zou zijn. Inmiddels is “morgen” een rekbaar begrip geworden.
Op straat hoor je geen jubelstemming, eerder een mengeling van vermoeidheid en schouderophalen. Sommigen spreken van duidelijke misstappen en gemiste kansen. Anderen noemen het nog te vroeg om te oordelen, alsof het land in een permanente wachtkamer zit. Er is ook een groep die zegt dat er heus wel intenties zijn, alleen lijken resultaten telkens onderweg zoek te raken.
Een kleiner deel blijft optimistisch en wijst op inspanningen achter de schermen. “Er wordt gewerkt”, klinkt het dan, al blijft de vraag zichtbaar wat daarvan merkbaar is in de portemonnee en in het dagelijks leven.
En dan is er de stilte van wie het niet meer volgt. Niet uit onverschilligheid, maar uit vermoeidheid. Want wie elke dag bezig is met prijzen, werk en zekerheid, heeft weinig ruimte voor politieke uitleg.
Zo balanceert het bestuur tussen beloften en beleving. De grootste uitdaging blijkt niet alleen beleid maken, maar vooral vertrouwen terugwinnen.
