Een land dat zijn leerkrachten onder de armoedegrens betaalt, ondergraaft zijn eigen toekomst  

Het salaris van een leerkracht is geen administratieve post, maar een economische keuze. In Suriname bedraagt het maandinkomen van een basisleerkracht omgerekend circa 317 Amerikaanse dollar. Dat niveau ligt aanzienlijk onder regionale vergelijkingspunten. In Guyana, waar recente olie-exploitatie het nationaal inkomen sterk heeft verhoogd, liggen onderwijssalarissen substantieel hoger. In Trinidad en Tobago en Barbados, economieën met stabielere deviezenstromen, overstijgen lerarensalarissen ruimschoots de grens van 1.000 dollar per maand. 

Het verschil weerspiegelt niet alleen begrotingsruimte, maar prioriteitstelling.

Internationaal onderzoek toont aan dat onderwijskwaliteit sterk samenhangt met lerarenkwaliteit. De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling stelt consequent dat competitieve beloning essentieel is om talent aan te trekken en te behouden. De Wereldbank benadrukt dat lage salarissen leiden tot secundaire inkomensactiviteiten, verminderde motivatie en verhoogde uitstroom. Landen met structureel lage onderwijslonen kampen vaker met leerachterstanden, zwakke onderwijsprestaties en structurele ongelijkheid.

De relatie tussen bruto binnenlands product en onderwijsinvestering is direct maar niet automatisch. Hogere nationale inkomens creëren fiscale ruimte, maar slechts wanneer die ruimte daadwerkelijk wordt gealloceerd naar menselijk kapitaal. Suriname heeft in het verleden perioden van relatief hoge grondstoffeninkomsten gekend zonder duurzame versterking van onderwijsstructuren. Tussen 2015 en 2020 werd expansief begrotingsbeleid gevoerd zonder structurele dekking. De daaropvolgende aanpassingsperiode onder internationale financiële condities tussen 2020 en 2025 stabiliseerde macro indicatoren, maar ging gepaard met koopkrachtverlies en loonerosie in de publieke sector.

De vraag is daarom niet alleen historisch, maar prospectief. Hoe lang duurt het voordat een Surinaamse leerkracht een minimum van 1.000 dollar per maand verdient, uitgaande van verwachte economische groei in de komende vijf jaar?

Stel dat de economie gemiddeld reëel met 3 tot 4 procent per jaar groeit, wat voor een kleine grondstoffenafhankelijke economie een optimistische maar niet uitzonderlijke aanname is. Zelfs bij cumulatieve groei van circa 20 procent over vijf jaar betekent dit niet automatisch een gelijke stijging van publieke lonen. Begrotingsruimte wordt mede bepaald door schuldaflossingen, renteverplichtingen, wisselkoersontwikkeling en prioriteiten binnen sociale uitgaven.

Om van 317 dollar naar 1.000 dollar te stijgen is een nominale verhoging van meer dan 200 procent vereist. Indien men dit in vijf jaar wil realiseren, betekent dit gemiddeld een loonstijging van ongeveer 25 procent per jaar, exclusief inflatiecorrectie. In een omgeving waar inflatie historisch volatiel is geweest, zou de feitelijke stijging nog hoger moeten zijn om koopkrachtig 1.000 dollar te bereiken.

Internationaal zijn dergelijke loonstijgingen in korte tijd zeldzaam zonder uitzonderlijke inkomstenbronnen. Guyana vormt een bijzonder geval door de snelle groei van olie inkomsten. Zonder vergelijkbare structurele inkomstenstroom of ingrijpende herprioritering binnen de begroting is een verdrievoudiging van lerarensalarissen binnen vijf jaar economisch onwaarschijnlijk.

Een realistischer scenario is geleidelijke verhoging over tien tot vijftien jaar, mits stabiele groei, lage inflatie en expliciete politieke keuze voor onderwijsprioriteit. Dat veronderstelt echter consistent beleid, institutionele discipline en herverdeling binnen overheidsuitgaven.

Het alternatief is voortzetting van het huidige patroon: lage lonen, braindrain en kwaliteitsverlies. Suriname kent al aanzienlijke emigratie van hoger opgeleiden naar Nederland en de regio. Wanneer een professionele opleiding resulteert in een inkomen dat nauwelijks boven het minimum ligt, wordt migratie economisch rationeel. Dat effect versterkt zichzelf. Minder ervaren leerkrachten blijven achter, onderwijskwaliteit daalt, toekomstige arbeidsproductiviteit verzwakt.

Onderwijs is geen consumptieve uitgave maar een productieve investering. Landen die structureel investeerden in lerarenkwaliteit, zoals Finland en Singapore, combineerden competitieve salarissen met selectie en training. Hun economische prestaties zijn mede het resultaat van consistente investering in menselijk kapitaal.

Suriname staat voor een fundamentele keuze. Macro economische stabilisatie zonder structurele verhoging van onderwijskwaliteit levert slechts cosmetische groei op. Bruto binnenlands product kan stijgen door grondstoffenexport, maar zonder versterking van kennis en vaardigheden blijft diversificatie beperkt.

De schok zit niet in het absolute bedrag van 317 dollar, maar in wat het impliceert. Het impliceert dat de vorming van toekomstige generaties minder waard wordt geacht dan kortetermijnuitgaven elders. Het impliceert dat beleidsretoriek over digitalisering en innovatie losstaat van de financiële realiteit in het klaslokaal.

De tijdshorizon voor 1.000 dollar per maand is geen louter rekenkundige kwestie, maar een politieke keuze. Zonder expliciete herprioritering, fiscale discipline en structurele groeiversnelling zal het meer dan een decennium duren voordat dat niveau haalbaar wordt. Met uitzonderlijke economische windval kan het sneller, maar economische geschiedenis leert dat windvallen zonder institutionele hervorming zelden duurzaam worden vertaald in menselijk kapitaal.

Een land dat zijn leerkrachten structureel onderbetaalt, beperkt zijn eigen productiviteitsgrens. Economische groei zonder onderwijsversterking blijft afhankelijk van externe schokken en grondstoffenprijzen. Structurele ontwikkeling begint niet bij olie, goud of schuldherschikking, maar bij het klaslokaal. Zonder fundamentele koerswijziging blijft de kloof tussen ambitie en realiteit groeien.

error: Kopiëren mag niet!