In een regio waar het bruto binnenlands product per land uiteenloopt, weerspiegelt het loon van de leerkracht feilloos de economische hiërarchie.
In Guyana, waar olie-inkomsten het bbp recent hebben gestuwd, ligt het maandsalaris rond 850 tot 860 USD. Trinidad en Tobago, met een energiegedreven economie, noteert ongeveer 1.378 USD. Barbados, sterk in toerisme en diensten, beweegt tussen 1.500 en 2.250 USD. Dominica positioneert zich tussen 1.000 en 2.000 USD. En dan Suriname: 317,50 USD. Een cijfer dat minder klinkt als beleid en meer als bijzin.
De verhouding tussen bbp (bruto binnenlands product) en onderwijsinvestering is geen abstracte theorie. Hogere nationale inkomens creëren fiscale ruimte voor betere salarissen, scholing en infrastructuur. Lage salarissen leiden tot braindrain, demotivatie en kwaliteitsverlies. Wie 317,50 USD betaalt, subsidieert impliciet emigratie.
De ironie is structureel. Tussen 2015 en 2020 werd de staatskas uitgehold door expansief uitgavenbeleid zonder duurzame dekking. Daarna volgde tussen 2020 en 2025 een periode van harde aanpassing onder IMF-condities: subsidies afgebouwd, koopkracht gekrompen, publieke lonen onder druk. De begroting werd rechtgetrokken, maar de ruggengraat van het onderwijs brak mee.
Nu heerst bestuurlijke stilte. Men spreekt over hervorming, digitalisering en toekomstvisies, terwijl de basisleraar minder verdient dan het regionale minimum voor professionele waardigheid. Onderwijs moet de motor van ontwikkeling zijn, maar men smeert zand in de cilinders.
Een land dat zijn leerkrachten op noodrantsoen zet, investeert niet in menselijk kapitaal maar in stagnatie. Het bbp mag fluctueren, maar zonder structurele prioriteit voor onderwijs blijft groei cosmetisch.
De vraag is niet hoe men onderwijs vooruit brengt. De vraag is hoe men verwacht dat het blijft functioneren wanneer de fundamenten systematisch zijn verzwakt.
