Tabaksbeleid wordt wereldwijd verdedigd met één centraal argument: hogere prijzen leiden tot minder consumptie en dus tot minder ziekte en sterfte. Volgens de Wereldgezondheidsorganisatie, WHO, sterven jaarlijks meer dan acht miljoen mensen aan de gevolgen van tabaksgebruik. Ongeveer zeven miljoen overlijdens zijn het directe gevolg van actief roken, terwijl circa 1,3 miljoen mensen overlijden door blootstelling aan meeroken. Tabak is daarmee een van de grootste vermijdbare doodsoorzaken wereldwijd.
Economisch onderzoek bevestigt dat prijsverhogingen via accijnzen de vraag verminderen. Vooral jongeren en lage inkomensgroepen reageren relatief sterk op prijsstijgingen. Dit effect wordt verklaard door prijselasticiteit: wanneer het besteedbaar inkomen beperkt is, beïnvloedt een prijsstijging het consumptiegedrag sneller. Vanuit volksgezondheidsperspectief is accijnsverhoging daarom een effectief instrument.
Toch is het effect niet uniform. In landen waar handhaving zwak is of waar inkomensverschillen groot zijn, ontstaat vaak een parallelle markt. Het prijsverschil tussen legale en illegale producten creëert een economische prikkel voor smokkel en namaak. Australië geldt als een extreem voorbeeld: daar kost een pakje sigaretten inmiddels rond de 40 Australische dollar. De rookprevalentie is er relatief laag, maar tegelijkertijd is de illegale handel in tabak aanzienlijk toegenomen. Douanediensten rapporteren groeiende inbeslagnames van smokkelwaar en illegale productiefaciliteiten.
Internationaal verschilt het rookgedrag sterk per regio. De hoogste rookprevalentie onder volwassenen wordt aangetroffen in delen van Zuidoost Azië en Oost Europa. Landen zoals Indonesië kennen extreem hoge rookcijfers onder mannen, mede door lage prijzen, beperkte regulering en een sterke culturele inbedding van roken. In China, met ’s werelds grootste aantal rokers, speelt de staatscontrole over de tabaksindustrie een rol; tabaksinkomsten vormen er een belangrijke bron van overheidsinkomsten. In Oost Europa zijn historische factoren, inkomensstructuur en marketingtradities mede bepalend voor hoge consumptieniveaus. In veel westerse landen is de prevalentie gedaald door combinatiebeleid: accijnzen, rookverboden, reclamebeperkingen en voorlichtingscampagnes.
De kern is dat prijsbeleid alleen effectief blijft wanneer het wordt ondersteund door robuuste handhaving en institutionele capaciteit. Zonder dat verschuift consumptie in plaats van te verdwijnen.
Voor Suriname is deze spanning relevant. De verhoging van invoerrechten op legale sigaretten had een voorspelbaar economisch effect: dalende officiële importvolumes en toenemende prikkels voor informele distributie. Wanneer het prijsverschil tussen legale en illegale waar groot genoeg wordt, ontstaat een schaduwkanaal dat moeilijk te controleren is. Dat is geen morele stelling maar een marktmechanisme.
Het probleem wordt versterkt wanneer sancties beperkt blijven tot boetes zonder structurele strafrechtelijke consequenties. In economische termen wordt het risico dan onderdeel van de kostenstructuur. Lage pakkans gecombineerd met voorspelbare sancties en hoge winstmarges maakt illegale handel rationeel aantrekkelijk. In zo’n omgeving functioneert smokkel niet als incident maar als model.
Daarmee ontstaat een dubbele paradox. Enerzijds verhoogt de overheid accijnzen in naam van volksgezondheid en begrotingsdiscipline. Anderzijds verliest zij controle over belastinginning wanneer illegale kanalen groeien. Het begrotingseffect kan negatief worden als de daling van legale invoer groter is dan de extra opbrengst per eenheid. Zonder transparante cijfers over marktaandelen en inbeslagnames blijft het echter moeilijk om de netto impact exact te kwantificeren.
Internationaal onderzoek toont aan dat succesvolle reductie van tabaksgebruik meestal voortkomt uit geïntegreerd beleid. Dat omvat consistente handhaving, grenscontrole, traceerbaarheidssystemen voor sigarettenverpakkingen, hoge pakkans voor distributeurs en effectieve vervolging. Landen die uitsluitend op prijsbeleid vertrouwen zonder institutionele versterking, zien vaker een verschuiving naar informele markten.
Voor Suriname is de vraag daarom niet of accijnsverhoging op zichzelf verdedigbaar is. Vanuit volksgezondheidsperspectief is het antwoord bevestigend: minder consumptie betekent minder toekomstige hart en vaatziekten, longkanker en chronische longaandoeningen. De relevante vraag is of de uitvoeringscapaciteit evenredig meegroeit met de fiscale ambitie. Zonder versterkte douane, digitale monitoring van importstromen en consequente vervolging blijft het beleid kwetsbaar.
Bovendien speelt regionale dynamiek een rol. Kleine open economieën met poreuze grenzen lopen een groter risico op smokkel, zeker wanneer buurlanden lagere prijzen hanteren. Prijsverschillen over grenzen vormen klassieke stimulansen voor illegale handel. Dit geldt voor brandstof, alcohol en tabak.
Het debat moet daarom verder gaan dan morele framing. Volksgezondheid en belastinginning zijn geen tegenpolen, maar vereisen coherente uitvoering. Indien accijnzen worden verhoogd zonder structurele handhavingsstrategie, verschuift de markt naar de achterdeur. Indien handhaving wordt versterkt zonder preventie, blijft consumptie hoog.
Tabaksgebruik veroorzaakt wereldwijd miljoenen doden per jaar. Dat feit legitimeert stevig beleid. Maar beleid dat economische realiteiten negeert, creëert parallelle systemen die zowel gezondheidsdoelen als fiscale doelen ondermijnen.
De uitdaging voor Suriname ligt niet in het kiezen tussen accijns of controle, maar in het combineren van beide. Zonder die combinatie wint niet de volksgezondheid en ook niet de staatskas, maar de logistiek van de schaduwmarkt.
