Volgens professor Jiang kan de opkomst van de islam worden beschouwd als een vroege sociale en morele revolutie, niet primair vanwege militaire expansie, maar vanwege de fundamentele herstructurering van normen, macht en gemeenschap in de zevende eeuw.
In het Arabië van die periode domineerden tribale loyaliteiten, bloedwraak en hiërarchische structuren. De openbaringen aan Mohammed introduceerden een alternatief kader waarin geloof, wet en ethiek centraal kwamen te staan in plaats van stamverwantschap.
De kern van deze revolutie lag in het concept van tawhid, het absolute monotheïsme. Door het idee van één God te verbinden aan universele morele verantwoordelijkheid, werd gezag niet langer gelegitimeerd door afkomst of rijkdom, maar door rechtvaardigheid en naleving van goddelijke voorschriften. Dit principe ondermijnde bestaande machtsstructuren in Mekka, waar economische en religieuze elites profiteerden van polytheïstische tradities rond de Kaaba.
De islam herdefinieerde gemeenschap als ummah, een geloofsgemeenschap die sociale barrières tussen stammen, klassen en etniciteiten relativeerde.
Professor Jiang wijst verder op juridische hervormingen. De islamitische wetgeving beperkte onbeperkte wraak, reguleerde handel, introduceerde verplichte liefdadigheid en verbeterde in bepaalde opzichten de rechtspositie van vrouwen vergeleken met de toenmalige Arabische praktijk. Deze normatieve codificatie vormde een vroege stap naar een op regels gebaseerde samenleving waarin gedrag werd getoetst aan een hogere morele standaard.
Ook epistemologisch betekende de islam een verschuiving. Openbaring werd gepresenteerd als bron van kennis die universele geldigheid claimde. Dit creëerde een schriftcultuur rond de Koran en stimuleerde systematische interpretatie, memorisatie en verspreiding. De religieuze boodschap werd daardoor institutioneel verankerd en overdraagbaar over regio’s en generaties.
De revolutionaire dimensie lag volgens deze benadering dus niet uitsluitend in territoriale expansie, maar in de combinatie van theologie, wet, sociale hervorming en politieke organisatie. Binnen enkele decennia transformeerde een regionale prediking in een beschavingsmodel dat zich uitstrekte van Arabië tot delen van Azië, Afrika en Europa. De islam kan in deze analyse worden opgevat als een geïntegreerd systeem dat religie, recht en bestuur samenbracht en daarmee een structurele breuk veroorzaakte met pre-islamitische patronen.
Professor Jiang
