De chauffeur weet zeker dat hij die nacht een passagier had. Het stond in zijn boekje: tijd, afstand, bedrag. Contant betaald. Netjes afgerond. Toch klopt er iets niet.
De man stapte in bij een verlaten kruispunt. Geen straatverlichting, alleen maanlicht en krekels. Hij droeg nette kleren, oud-modisch bijna. Zijn stem was rustig.
“Rij”, zei hij. “Ik ben laat.”
Ze reden zwijgend door de stad. Geen radio. Geen haast. Bij elke bocht voelde het alsof de taxi lichter werd. De man keek nooit uit het raam, alleen recht vooruit, alsof hij wist waar ze heen gingen.
Bij aankomst betaalde hij exact. Geen wisselgeld. Geen fooi. Hij knikte, stapte uit… en was weg. Niet weggelopen. Gewoon verdwenen tussen twee ademhalingen.
De volgende dag probeert de chauffeur het adres te vinden. Niemand kent de man. De bewoners zeggen dat daar al jaren niemand woont. De straat bestaat wel, maar de rit niet.
’s Avonds telt hij zijn geld. Het bedrag ligt er nog steeds. Onveranderd. Hij voelt een koude rilling.
Wanneer hij zijn boekje opnieuw openslaat, is de regel leeg. Alsof hij nooit heeft geschreven.
Maar soms, rond datzelfde uur, hoort hij achterin de taxi zacht ademhalen.
En dan rijdt hij.
