Suriname hangt nog steeds aan vreemde hulp, niet door gebrek aan talent of grondstoffen, maar door een systeem waarin verantwoordelijkheid structureel wordt vermeden. Hulp is geen noodgreep meer, maar een verdienmodel. Elke lening wordt verkocht als redding. Elke donatie als partnerschap. Maar het patroon is voorspelbaar. Geld komt binnen, voorwaarden worden fluisterend geaccepteerd, en wanneer resultaten uitblijven, verdwijnt de schuld in rapporten en commissies.
Verantwoordelijkheid is ongemakkelijk. Ze dwingt tot keuzes, tot prioriteiten, tot het afbreken van netwerken die leven van chaos. Afhankelijkheid daarentegen is comfortabel. Ze biedt een extern excuus. Faalt een beleid, dan was de timing verkeerd. Stijgen de prijzen, dan is de wereldmarkt schuldig. Werkt een project niet, dan was de donor te streng. Niemand hoeft af te treden. Niemand hoeft uit te leggen waar het geld werkelijk bleef.
Men noemt het samenwerking, maar echte samenwerking veronderstelt gelijkwaardigheid. Dit is geen gelijkwaardigheid. Dit is een ritueel waarin de lener dankbaar knikt en de geldschieter morele superioriteit uitstraalt. Het land betaalt niet alleen met rente, maar met uitgestelde hervormingen en uitgeholde instituties.
Echte verantwoordelijkheid vraagt iets anders. Geen applaus bij nieuwe leningen, maar stilte bij zelfredzaamheid. Geen trots op ontvangen hulp, maar op geweigerde afhankelijkheid. Integriteit begint waar de cheque stopt.
