De gepresenteerde beloningstabel voor Surinaamse politieke en rechterlijke ambten toont netto maandinkomens die, omgerekend tegen een wisselkoers van circa SRD 35 per USD, variëren van ongeveer USD 2.700 voor een lid van De Nationale Assemblee (DNA) tot ruim USD 29.000 voor topfuncties binnen de rechterlijke macht.
Dit plaatst Suriname in een uitzonderlijke positie wanneer deze cijfers worden afgezet tegen de economische draagkracht van het land. Het bruto binnenlands product van Suriname bedraagt ruwweg USD 3,5 tot 4 miljard, met een bbp (bruto binnenlands product) per hoofd van de bevolking van circa USD 6.000.
Ter vergelijking: Guyana heeft door recente olieproductie een bbp dat is opgelopen tot meer dan USD 15 miljard en een bbp per hoofd boven USD 18.000. Politieke salarissen in Guyana liggen, omgerekend, aanzienlijk lager dan in Suriname en bewegen zich grofweg tussen USD 3.000 en USD 5.000 per maand voor ministers en parlementsleden.
De verhouding tussen beloning en economische output is daar dus beduidend gematigder, ondanks een veel sterkere groeidynamiek.
Ook Trinidad and Tobago, met een bbp van circa USD 30 miljard en een bbp per hoofd van ongeveer USD 20.000, kent politieke en bestuurlijke salarissen die doorgaans variëren tussen USD 4.000 en USD 8.000 per maand. In relatieve termen zijn deze vergoedingen beter te rechtvaardigen, omdat zij worden gedragen door een grotere en stabielere economische basis.
Het kernprobleem in Suriname is dus niet het absolute niveau van beloning, maar de disproportie. Een klein land met een beperkt bbp en structurele begrotingsdruk hanteert inkomensniveaus voor publieke ambten die eerder passen bij middeninkomenslanden met een veel hogere productiviteit. Dit vergroot de kloof tussen overheid en samenleving en voedt het beeld dat politieke beloning losgezongen is van economische realiteit.
Vanuit macro-economisch perspectief is een herijking logisch: beloning zou in verhouding moeten staan tot nationale draagkracht, niet tot regionale aspiraties.
