Wie Suriname wil begrijpen, moet stoppen met de klassieke vraag: wie lijdt er onder dit probleem? Die vraag is moreel juist, maar politiek nutteloos. De echte sleutel ligt elders. Wie verdient eraan? Wie blijft aan tafel zolang het probleem blijft bestaan? Wie verliest zijn stoel zodra het wordt opgelost?
Neem de kapotte weg. Iedereen ziet het gat, iedereen vloekt, iedereen lijdt. Maar de weg blijft kapot. Waarom? Omdat het gat werk oplevert. Spoedvergaderingen. Projectnota’s. Commissies. Adviescontracten. Foto’s met helmen. Elke regenseizoen opnieuw hetzelfde toneel. Het probleem is geen fout in het systeem. Het is het systeem.
Of kijk naar armoede. Armoede is officieel een ramp, maar informeel een industrie. Subsidies, hulpprogramma’s, conferenties, NGO’s, consultants. De arme blijft arm, maar zijn armoede reist businessclass. Zodra armoede echt wordt opgelost, droogt het geld op. Dan zijn rapporten overbodig, workshops zinloos en excuses schaars.
Ook corruptie is zo’n probleem dat zich perfect heeft aangepast. Iedereen is ertegen. Niemand zonder voordeel. De roep om transparantie klinkt luid, maar net zacht genoeg om niets te breken. Want echte transparantie is gevaarlijk. Die laat zien wie bouwde, wie tekende, wie keek en wie zweeg.
Daarom werken oplossingen hier zelden. Ze richten zich op symptomen. Op lijden. Op emoties. Niet op belangen. Niet op machtsstructuren. Niet op wie er zenuwachtig wordt zodra het woord “oplossen” serieus wordt uitgesproken.
Satirisch genoeg is hoop zelf ook onderdeel van het probleem. Hoop verkoopt. “Nog even geduld.” “Het komt goed.” “We zijn bezig.” Het publiek slikt het, want wanhoop is vermoeiend. Maar ondertussen draait de machine rustig door.
Wie Suriname echt wil repareren, moet bereid zijn om iets te breken. Niet de stilte van het volk, maar het comfort van degenen die leven van de chaos. En dát is precies waarom het zo moeilijk is. Want problemen lossen zichzelf niet op. Ze worden opgelost. Of bewust in leven gehouden.
