Résumé
De auteur (Yard) wijst erop dat het Surinaamse verkiezingssysteem structurele tekortkomingen vertoont, mede als gevolg van de kiesstelselhervorming waarbij het districtenstelsel werd vervangen door één nationale kieskring (het landelijke evenredigheidsstelsel). Het huidige verkiezingssysteem is gebaseerd op een overgenomen model dat onvoldoende is aangepast aan de realiteit van Suriname. Tijdens de meest recente verkiezingen zijn deze tekortkomingen duidelijk aan het licht gekomen. Een bijzonder ernstig probleem vormt het ontbreken van effectieve en tijdige rechtsbescherming. Het huidige systeem is in strijd met fundamentele rechtsbeginselen en met internationale verplichtingen die Suriname is aangegaan. Yard bepleit daarom de oprichting van een onafhankelijke Centrale Verkiezingsautoriteit (CEA) met een constitutionele en wettelijke basis.
In SJB 2025, nr. 2 verscheen van de hand van Jim A. Yard een belangwekkend artikel getiteld: “De centrale verkiezingsautoriteit als spil in het Surinaamse verkiezingsbestel: bestuursrechtelijke ordening van een complex proces”. De auteur is juridisch adviseur en rechtswetenschappelijk onderzoeker met een achtergrond in bestuurskunde en wetgevingsleer en woont en werkt in Nederland. Zijn werk is sterk interdisciplinair en slaat een brug tussen recht, organisatiekunde en bestuurspraktijk.
In zijn artikel analyseert Yard de structurele tekortkomingen van het Surinaamse verkiezingssysteem en bepleit hij de oprichting van een onafhankelijke Centrale Verkiezingsautoriteit (CEA). Aanleiding vormen de verkiezingen van 25 mei 2025, die volgens de auteur diepgewortelde institutionele, bestuursrechtelijke en organisatorische kwetsbaarheden hebben blootgelegd.
De context van deze problematiek ligt mede in de kiesstelselhervorming van 2023, waarbij het districtenstelsel werd vervangen door één nationale kieskring (het landelijke evenredigheidsstelsel). Deze hervorming volgde op een uitspraak van het Constitutioneel Hof van 5 augustus 2022, waarin het districtenstelsel strijdig werd geacht met het gelijkheidsbeginsel en het vereiste van evenredige vertegenwoordiging. Hoewel de hervorming juridisch noodzakelijk was, bleek de bestuurlijke uitvoering onvoldoende voorbereid. Yard formuleert daarom de centrale vraag welke factoren de noodzaak van een CEA verklaren en hoe een dergelijke autoriteit juridisch en institutioneel effectief kan worden ingericht binnen de Surinaamse context.
Volgens Yard is het Surinaamse verkiezingsproces gebaseerd op een institutioneel model dat grotendeels is overgenomen zonder voldoende aanpassing aan lokale maatschappelijke en bestuurlijke realiteiten. Hierdoor ontbreekt zowel draagvlak als een stevige institutionele verankering. Historische keuzes, met name tijdens de militaire periode (1980–1987), hebben bovendien de machtsverhoudingen structureel beïnvloed. De verkiezingen van 2025 bevestigden dat deze kwetsbaarheden niet incidenteel, maar structureel van aard zijn.
De auteur wijst op ernstige tekortkomingen in de organisatie van de verkiezingen. Zo waren de bemensing en training van hoofdstembureaus onvoldoende, kwamen financiële middelen te laat beschikbaar en ontbrak een heldere verantwoordelijkheidsverdeling. Dit leidde tot uiteenlopende interpretaties van de kiesregeling en het ontbreken van uniforme protocollen bij de telling en vaststelling van de uitslag. De toezichthoudende organen, het Onafhankelijk Kiesbureau (OKB) en het Centraal Hoofdstembureau (CHS), bleken niet in staat effectief in te grijpen bij fouten en onregelmatigheden.
Een bijzonder ernstig probleem vormt het ontbreken van effectieve en tijdige rechtsbescherming. Verkiezingsgeschillen werden pas behandeld nadat politieke organen reeds waren geïnstalleerd op basis van betwiste uitslagen. Dit is volgens Yard in strijd met fundamentele rechtsbeginselen, zoals rechtszekerheid, gelijkheid en legaliteit, alsook met internationale verplichtingen uit het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). De huidige rechtsbescherming treedt pas in werking nadat de schade is ontstaan, waardoor daadwerkelijke rechterlijke toetsing haar effectiviteit verliest.
Om de Surinaamse situatie te duiden, vergelijkt Yard deze met internationale modellen van verkiezingsautoriteiten. Internationaal geldt een CEA als een kernvoorwaarde voor verkiezingsintegriteit. Electoral governance berust volgens internationale standaarden op onafhankelijkheid, transparantie en juridische afdwingbaarheid.
Yard onderscheidt drie modellen: het onafhankelijke model (Zuid-Afrika, India, Indonesië), het gemengde model (Mexico, Ghana) en het geïntegreerde model (Frankrijk). Suriname past volgens hem in geen van deze categorieën, maar kent een informeel en juridisch slecht afgebakend systeem zonder duidelijke instructie- of verantwoordingslijnen.
De auteur concludeert dat Suriname niet voldoet aan internationale standaarden, omdat een wettelijk gedefinieerde en onafhankelijke autoriteit ontbreekt. Hierdoor opereren betrokken actoren versnipperd, bestaat er geen directe verantwoording aan De Nationale Assemblée (DNA) en blijft rechtsbescherming traag en fragmentarisch. Het ontbreken van een CEA vormt daarmee niet alleen een schending van internationale verplichtingen, maar belemmert ook structurele hervormingen.
Yard pleit voor de oprichting van een CEA met een constitutionele en wettelijke basis. Deze autoriteit moet fungeren als centrale spil in het verkiezingsbestel en het gehele proces integraal aansturen. De oprichting is volgens hem geen beleidskeuze, maar een verdragsrechtelijke verplichting die voortvloeit uit artikel 25 IVBPR. Essentiële waarborgen zijn transparante benoemingsprocedures, budgettaire autonomie, verplichte rapportage aan DNA en effectieve rechtsbeschermingsmechanismen.
De taken van de CEA dienen wettelijk te worden vastgelegd en omvatten onder meer voorbereiding, uitvoering, toezicht, normstelling, verantwoording en geschillenbeslechting. Alleen een autoriteit met bindende coördinatie- en sanctiebevoegdheden kan de huidige lacunes structureel opvangen. Juridische verankering in de Grondwet en een Kiesautoriteitswet is daarbij noodzakelijk, evenals bescherming tegen politieke beïnvloeding.
Tot slot benadrukt Yard het belang van professionaliteit, capaciteitsopbouw en gefaseerde implementatie. Door lering te trekken uit andere Surinaamse autoriteiten, zoals de Maritieme Autoriteit Suriname (MAS), de Telecommunicatie Autoriteit Suriname (TAS) en het Nationaal Instituut voor Milieu en Ontwikkeling in Suriname (NIMOS), concludeert hij dat effectiviteit afhankelijk is van juridische verankering, deskundigheid en afdwingbare bevoegdheden. Zijn studie toont aan dat een onafhankelijke CEA in Suriname zowel noodzakelijk als haalbaar is en onderstreept het belang van het bestuursrecht als fundament voor een stabiele democratische rechtsorde.
Commentaar CJ
De auteur heeft een grondige en gedegen studie verricht naar het functioneren van het Surinaamse verkiezingssysteem en de organisatie daarvan. Daarbij legt hij de bestaande gebreken bloot, maar reikt hij tevens handvatten aan voor een nieuw systeem dat als maatwerk speciaal voor Suriname moet worden ontworpen. Het is jammer dat hij in zijn goed gedocumenteerde artikel geen aandacht heeft besteed aan hetgeen is gesteld in het Handboek Constitutioneel Recht Suriname van mr. dr. H.K. Fernandes Mendes (HFM).
Laatstgenoemde wijst erop dat een onafhankelijke nationale verkiezingsautoriteit reeds jaren geleden is voorgesteld. De Commissie-Wijdenbosch pleitte al in 2018 voor de instelling van een dergelijke autoriteit. Volgens haar rapport bestond hiervoor een breed draagvlak bij nagenoeg alle politieke partijen. HFM vermeldt dat de commissie voorstelde om voortvarend te handelen en reeds de verkiezingen van 2020 te laten organiseren door een onafhankelijke instantie. In dit verband verwijst hij ook naar het standpunt van de OAS, die in haar rapportage over de verkiezingen van 2020 wijst op het belangenconflict dat ontstaat wanneer een regering verkiezingen organiseert waaraan zij zelf deelneemt.
De OAS noemde daarnaast een andere belangrijke overweging voor het instellen van een CEA, namelijk de noodzaak tot professionalisering van het personeel dat bij verkiezingen betrokken is.
De vraag blijft of een CEA onder deze regering, of onder welke andere regering dan ook, daadwerkelijk zal worden gerealiseerd. HFM wijst erop dat zittende politici kennelijk grip willen houden op de organisatie van de verkiezingen en zich vervolgens beklagen wanneer zij in de oppositie belanden.
Carlo Jadnanansing
