In Suriname wordt graag gesproken over cultuurbeleid, maar zelden over wat dat beleid oplevert voor de individuele artiest. De begroting van de afdeling Cultuur binnen het ministerie van Onderwijs, Wetenschap en Cultuur, wordt keurig besteed aan standaardoperaties: herdenkingen, protocollaire optredens, vergaderingen met lange titels.
De muzikant zelf merkt daar weinig van. Studiohuur blijft duur, optredens zijn schaars en inkomsten worden belast alsof het om een volwassen industrie gaat. Dat is geen stimulans maar een rem.
In Trinidad en Tobago wordt promotie van artiesten gezien als een essentieel onderdeel van nationale cultuur en toerisme. Lokale muzikanten betalen daar geen artiestenbelasting. Soca is geen hobby, maar een exportproduct. De staat begrijpt dat creatieve output pas waarde krijgt als ze ruimte krijgt. In Suriname gebeurt het omgekeerde: eerst belasten, daarna verbaasd zijn dat er niets groeit.
Wat het probleem verergert, is de hardnekkige neiging om Nederland als referentiekader te gebruiken. Dat is een analytische fout. Nederland heeft een mature markt, sterke instituten, infrastructuur en koopkracht. Suriname heeft een kleine, fragiele industrie die juist bescherming en opbouw nodig heeft. Vergelijken met Nederland is geen ambitie, maar beleidsluiheid.
De Surinaamse muziekindustrie is klein, maar creatief. Net als soca in Trinidad en reggae in Jamaica kan Surinaamse muziek regionaal worden verspreid, mits er gericht beleid is. Dat betekent geen symbolische subsidies, maar concrete maatregelen: belastingvrijstelling voor artiesteninkomsten, regionale promotiefondsen, ondersteuning bij distributie en samenwerking met Caribische netwerken.
Als muzikant kijk ik toe en speel door. Niet omdat het systeem werkt, maar ondanks het systeem. Cultuur hoeft geen applausmachine te zijn voor beleidsmakers. Ze moet een productieketen ondersteunen. Tot die tijd blijft cultuurbeleid klinken als muziek, maar zonder versterker.
