Het is net na twaalf uur wanneer de jongen instapt. Geen bloemen, geen cadeautas, alleen een plastic zakje in zijn hand.
“Naar Mariusrust”, zegt hij zacht. De chauffeur kijkt even op, maar zegt niets.
De weg is leeg. Paramaribo slaapt. Alleen de maan en een paar straathonden houden wacht. In de taxi ruikt het naar kaarsen en iets zoets. Wanneer ze de begraafplaats naderen, vraagt de jongen:
“Mag u even wachten?”
Hij stapt uit en loopt tussen de graven door. De chauffeur ziet hoe hij knielt bij een eenvoudige steen. Uit het zakje haalt hij een kaars, steekt die aan en zet er een klein bakje pom naast.
“Ma… mi kon”, fluistert hij. “Mi no abi moro, ma mi kon.”
De wind beweegt zacht door de bomen. De jongen veegt zijn gezicht af met zijn mouw, blijft nog even zitten alsof hij luistert. Dan staat hij op en loopt terug.
In de taxi zegt hij: “Ze hield van Moederdag. Ook toen we niks hadden.”
De chauffeur zet de meter uit.
Wanneer ze vertrekken, kijkt de jongen nog één keer om.
Sommige moeders slapen onder de grond, maar leven elke dag verder in het hart.
