Bij je geboorte gebeurt er iets merkwaardigs. Nog voordat je zelf iets kunt zeggen, denken of kiezen, word je al zorgvuldig ingedeeld. Je krijgt een naam, een religie, een nationaliteit, een ras. Alles netjes ingevuld, alsof je een formulier bent dat zonder jouw aanwezigheid is goedgekeurd. Daarna begint het echte werk: de rest van je leven besteed je aan het verdedigen van die verzonnen identiteit.
Je naam wordt heilig. Wie hem verkeerd uitspreekt, beledigt niet alleen jou, maar meteen ook je voorouders, je cultuur en mogelijk het universum. Je religie, meestal gekozen door mensen die zelf ook maar erfgenamen waren van een keuze, wordt een schild en soms een wapen. Je nationaliteit verandert plots in iets waarvoor je moet juichen tijdens sportwedstrijden en waarvoor je je moet schamen wanneer politici weer eens ontsporen.
En je ras? Dat is een categorie waar je niets aan hebt gedaan, maar waarvoor je wel permanent uitleg moet geven.
Het absurde is dat al deze labels toevallig zijn. Een paar kilometer verderop geboren en je had een andere vlag gezwaaid, een andere god verdedigd, een andere geschiedenis aangeleerd gekregen. Toch doen we alsof dit alles diep van binnen āwijā is. Alsof je identiteit niet is ontstaan door toeval, maar door kosmische noodzaak.
Zo lopen we rond als wandelende dossiers, druk bezig met het bewaken van grenzen die we niet zelf hebben getrokken. We discussiƫren, vechten en oordelen namens concepten die ouder zijn dan wij en waarschijnlijk ook zullen overleven zonder ons.
En ergens diep vanbinnen weten we het best: achter al die labels zit gewoon een mens, die ooit begon zonder naam, zonder vlag en zonder overtuiging. Maar ja, dat verdedigt zo lastig.
