In de Surinaamse politiek lijkt geschiedenis nooit voorbij; zij verandert slechts van rol en decor. Waar gisteren nog een coalitieakkoord werd bezegeld met glimlachen en handdrukken, wordt vandaag alweer geschoven met macht, posten en wetten alsof het schaakstukken zijn. De huidige coalitie onder leiding van de NDP wil meer dan één procureur-generaal. Niet omdat de rechtsstaat daar aantoonbaar beter van wordt, maar omdat macht zelden tevreden is met één sleutel wanneer zij er meerdere kan vasthouden.
De kleine coalitiepartners A20, BEP en PL huppelen erachteraan. Met elk één zetel vormen zij geen tegenwicht maar decor. Hun aanwezigheid legitimeert besluiten, zonder dat zij die zichtbaar beïnvloeden. In ruil daarvoor lonken functies, commissies en politieke overleving. Beleidsinhoud is bijzaak; posities zijn hoofdzaak. In dat spel verschijnt opnieuw een bekend personage op het toneel: Ronnie Brunswijk.
De ironie is scherp. De man die ooit door de staat werd bestempeld als gevaarlijk, gewapend en ongewenst, wordt nu door velen gezien als mogelijke laatste rem op een juridische machtsconcentratie. Van voortvluchtige tot vrijheidsstrijder, van rebellenleider tot DNA-voorzitter en vicepresident: het traject van Brunswijk is geen rechte lijn maar een politieke achtbaan. En precies daarom is zijn huidige positie zo ongemakkelijk voor wie absolute controle nastreeft.
Het plan om meerdere PG’s aan te stellen roept fundamentele vragen op. In de regio functioneren staten met grotere bevolkingen en complexere economieën met één procureur-generaal. Trinidad en Tobago. Guyana. Eén aanspreekpunt, één hiërarchie, één verantwoordelijkheid. Meerdere PG’s creëren geen efficiëntie maar ruis. Wie stuurt wie aan. Wie beslist bij conflicten. En belangrijker: wie wordt loyaal aan wie.
Een politiek analist stelt dat dit geen technische hervorming is, maar een machtsvraag. Door het Openbaar Ministerie op te knippen, wordt de kans vergroot dat politieke invloed via benoemingen binnensijpelt. Geen tanks op straat, geen soldaten bij het parlement, maar pennen, handtekeningen en wetsartikelen. Dat is de moderne coup. Geen brute overname, maar een juridische verschuiving waarbij de scheiding der machten langzaam wordt uitgehold.
In dat licht krijgt de houding van Brunswijk een nieuwe betekenis. Niet meewerken aan deze constructie maakt hem opnieuw tot dwarsligger, ditmaal niet in het bos maar in De Nationale Assemblée. Tegelijk blijft zijn juridische verleden als schaduw aanwezig. Zijn Nederlandse veroordeling uit 1999 is geen geheim en vormt een kwetsbaarheid. Als DNA-lid geniet hij geen absolute immuniteit. Theoretisch kan uitlevering aan de orde komen. De gedachte dat politieke druk en juridische dossiers elkaar hier kunnen raken, is niet ondenkbaar.
Daarmee ontstaat een cynisch scenario. Wie de wet wil buigen, kan proberen de mens te breken. Wie lastig is, wordt herleid tot zijn verleden. “Opgelost staat netjes,” fluistert de macht dan. Maar precies dat maakt de situatie explosief. Want als wetgeving wordt ingezet om tegenstanders uit te schakelen in plaats van recht te dienen, verliest de rechtsstaat haar geloofwaardigheid.
Mocht Brunswijk samen met één of enkele oppositieleden weigeren mee te werken, dan stokt meer dan alleen deze PG-discussie. Ook andere initiatiefwetten, inclusief grondwetswijzigingen, blijven hangen. Dat is geen bestuurlijke ramp, maar een democratische pauze. Soms is stilstand geen falen, maar bescherming.
De satire is pijnlijk maar helder. Een voormalige rebel wordt nu gezien als bewaker van institutionele grenzen. Kleine partijen verdedigen vooral zichzelf. En een coalitie die stabiliteit belooft, flirt met juridische herinrichting die vooral macht consolideert.
De vraag is niet of Brunswijk een held is. De vraag is waarom het politieke systeem zo fragiel is dat het opnieuw van één man moet afhangen.
