Armoede begint zelden bij één persoon. Ze nestelt zich langzaam in gezinnen, wijken en routines en wordt van generatie op generatie doorgegeven. Niet als bewuste keuze, maar als erfenis van gemiste kansen. Kinderen groeien op in een omgeving waar schaarste normaal is. Stress is geen uitzondering, maar achtergrondgeluid. Zorgen over geld zijn net zo alledaags als het avondeten.
Al vroeg leren kinderen wat mogelijk lijkt en wat niet. Niet door uitleg, maar door observatie. Ze zien ouders puzzelen met rekeningen, baantjes combineren, dromen uitstellen. Zo ontstaan onzichtbare grenzen. Ambities worden bijgesteld voordat ze uitgesproken zijn. Verwachtingen dalen, niet uit luiheid, maar uit zelfbescherming.
Onderwijs zou een uitweg kunnen zijn, maar zonder stabiliteit wordt het een extra last. Concentratie lijdt onder onzekerheid. Talent blijft onopgemerkt. Netwerken ontbreken. Wie geen voorbeelden ziet van doorbreken, leert dat blijven de norm is.
Zo wordt de rand erfelijk. Niet omdat mensen minder kunnen, maar omdat de ruimte ontbreekt om te groeien. Structuren die ongelijkheid in stand houden, versterken dit patroon. Zolang die structuren niet veranderen, blijven verhalen zich herhalen. Alleen de namen wisselen.
