Volgens een internationale jurist begint elke buitenlandse reactie op het tornen aan een rechtsstaat met iets wat geen persbericht krijgt: het optrekken van wenkbrauwen. Landen als de Verenigde Staten en Nederland kijken niet eerst naar slogans over hervorming, maar naar drie meetpunten die zelden poëtisch zijn.
Ten eerste institutionele onafhankelijkheid: wordt het Openbaar Ministerie minder autonoom, worden benoemingen politiseerbaar, en verschuift het zwaartepunt van procedures naar loyaliteit in plaats van rechtsregels.
Ten tweede voorspelbaarheid: veranderen spelregels ad hoc, met terugwerkende kracht, of via constitutionele acrobatiek. Ten derde handhaving: blijven uitspraken uitvoerbaar wanneer ze politiek onwelgevallig zijn.
De jurist noemt het diplomatieke arsenaal “stil maar scherp”. In besloten gesprekken wordt gewezen op gevolgen voor kredietwaardigheid, investeringsbescherming en rechtshulpverdragen. Niet als dreigement, maar als rekensom. Ambassades laten juridische analyses circuleren die nergens worden geciteerd, behalve in kabinetskamers. Programma’s voor justitiële samenwerking worden vertraagd “om technische redenen”. Bezoeken worden hergepland. Het woord sancties blijft onuitgesproken, maar de spreadsheet ligt klaar.
Het zit in de timing. Terwijl binnenlands wordt beweerd dat alles democratischer wordt, vragen buitenlandse juristen waarom checks verdwijnen wanneer ze beginnen te bijten.
De boodschap aan de regering van Jennifer Simons is zelden moralistisch.
Ze luidt ongeveer zo: hervormen kan, verzwakken niet. Wie de rechter hertekent om vandaag comfortabeler te zitten, zit morgen op een wankeler stoel.
De ironie, besluit de jurist, is dat stille diplomatie vooral werkt door stilte. Hoe minder lawaai nodig is om een koers te corrigeren, hoe sterker de rechtsstaat oogt. Wanneer het lawaai toeneemt, is dat zelden een teken van soevereiniteit, maar van nervositeit.
