De weg ligt open, maar het antwoord ligt ergens anders. Niemand weet waarom er wordt gewerkt, hoelang het duurt of wat er precies gebeurt. Dat maakt niet uit, want de file is inmiddels onderdeel van het ochtendritueel. Tanden poetsen, koffie zetten, stilstaan. Wie te vroeg aankomt, vertrouwt het niet meer.
Files zijn geen verkeersprobleem, maar een vaste levensstijl. Men rekent reistijd niet langer mee; men offert haar. Minuten worden ingeleverd zonder bon, zonder uitleg. Brandstof verdwijnt terwijl de auto niet beweegt. Dat heet vooruitgang. Of geduld. Meestal geduld.
De kapotte weg is uitgegroeid tot een nationaal symbool. Iedereen ziet hem, iedereen kent hem, niemand voelt zich eigenaar. Hij ligt er zoals hij ligt, met hekken die doen vermoeden dat er ooit iets gepland was. Werkzaamheden zijn er altijd, resultaat zelden. De weg is permanent “bijna klaar”.
De satire zit in de berusting. Mensen klagen niet meer, ze informeren elkaar. “Het staat vast.” Dat is geen waarschuwing, dat is een levensles. Auto’s staan netjes in de rij, alsof wachten een vorm van discipline is. Toeteren helpt niet, vragen ook niet. Het asfalt luistert nergens naar.
De file kost tijd, geld en zenuwen, maar vooral verwachting. Niemand verwacht nog verbetering, alleen variatie in stilstand. Soms tien minuten, soms een uur. Verrassing houdt het spannend.
En zo blijft de weg liggen, opengebroken maar onaangeroerd. Alsof wachten de officiële oplossing is. De file verdwijnt pas wanneer niemand zich haar nog kan herinneren. Tot die tijd staan we samen stil. Dat schept ook verbondenheid.
