In Suriname begint hoop zelden met een beleidsnota. Ze begint met een fluitsignaal. Negentig minuten lang is het land overzichtelijk. Er is een bal, twee doelen en een tegenstander. Niemand vraagt naar begrotingstekorten of hervormingen zolang de stand nog gelijk is. Het scorebord is eerlijker dan de politiek: het liegt niet, het draait niet, het telt gewoon.
Wanneer Natio speelt, verandert de week van kleur.
Winkels zetten de radio harder, taxi’s rijden trager en zelfs mensen die nooit een boek openen, kennen plots de opstelling. Niet omdat voetbal zo belangrijk is, maar omdat de rest zo zwaar weegt. Een overwinning maakt geen banen vrij en verlaagt geen prijzen, maar ze verlicht iets anders: het gevoel dat alles altijd tegenzit.
De satire zit in de ernst waarmee men het spel beleeft. Coaches worden serieuzer geanalyseerd dan ministers. Een gemiste kans leidt tot meer discussie dan een gemiste beleidsdeadline. En vreemd genoeg voelt dat logisch. In voetbal zie je inspanning, falen en soms beloning. In het dagelijks leven vooral uitstel.
Negentig minuten hoop is collectief bezit. Niemand wint alleen. Zelfs wie geen shirt heeft, juicht mee. Het maakt niet uit of je uit Paramaribo, Nickerie of Brokopondo komt; bij een doelpunt spreekt iedereen dezelfde taal. Dat is zeldzaam. Dat is kracht.
Critici noemen het escapisme. Dat is te makkelijk. Vluchten doe je wanneer je wegloopt. Dit is blijven staan en even ademhalen. Herstel is niet nietsdoen, herstel is opladen. Na de wedstrijd keert de werkelijkheid terug, maar iets lichter dan ervoor.
Voetbal lost geen problemen op, maar het herinnert eraan dat vreugde nog mogelijk is. En in een land waar hoop vaak wordt uitgesteld, zijn negentig minuten zonder zorgen geen luxe. Het is onderhoud aan de ziel.
