De Surinaamse middenstand ziet haar bestaanszekerheid in hoog tempo verdampen. Wat ooit een fragiel maar werkbaar evenwicht was, is veranderd in een permanente rekensom die niet meer uitkomt. Huur, voeding, energie, transport en zorgkosten stijgen sneller dan inkomens.
Volgens door het Algemeen Bureau voor de Statistiek gepubliceerde gegevens lag de jaarinflatie in recente jaren structureel in de dubbele cijfers, met pieken boven de veertig procent in perioden van monetaire instabiliteit. Exacte actuele maandcijfers verschillen per publicatie en kunnen hier niet met volledige zekerheid worden geverifieerd, maar de trend is ondubbelzinnig: levensmiddelen en energie behoren tot de sterkste stijgers, terwijl lonen achterblijven.
De overheid vraagt geduld. Dat is een rationeel beleidswoord, maar voor huishoudens die aan het eind van de maand structureel tekortkomen, is geduld geen strategie maar een abstractie.
Een gezin dat nu meer dan een derde van het inkomen kwijt is aan huur, vervolgens geconfronteerd wordt met stijgende elektriciteitstarieven en duurdere brandstof voor woon werkverkeer, heeft geen tijdshorizon meer. Het leeft van week tot week.
De belofte dat het later beter wordt, concurreert met de realiteit dat vandaag niet meer betaalbaar is.
Vanuit gezondheidsperspectief zijn de gevolgen voorspelbaar. Chronische financiële stress verhoogt het risico op hypertensie, slaapstoornissen en depressieve klachten. Gezinnen besparen eerst op preventieve zorg en gezonde voeding, wat op middellange termijn leidt tot hogere zorgkosten en lagere arbeidsparticipatie. Kinderen groeien op in een omgeving waar onzekerheid normaal wordt, met aantoonbare effecten op concentratie en schoolprestaties.
De satire zit in de beleidslogica zelf. Geduld wordt gepresenteerd als deugd, terwijl het feitelijk een noodmaatregel is voor wie geen buffers meer heeft. De middenklasse fungeert zo als schokdemper van macro economisch beleid. Een economie kan dat tijdelijk verdragen. Een samenleving niet.
