De stelling dat Ronnie Brunswijk het land geen geld heeft gekost door politieke dienstreizen is formeel juist, maar inhoudelijk misleidend. Niet uit soberheid of plichtsbesef, maar uit juridische noodzaak bleef hij lange tijd binnen de landsgrenzen. Ronnie Brunswijk, voorzitter van de ABOP, voormalig voorzitter van De Nationale Assemblee en ex-vicepresident van Suriname, droeg een strafrechtelijke last die reizen tot een risico maakte.
Het vonnis waar het om gaat dateert uit 1999. Een Nederlandse rechtbank veroordeelde Brunswijk bij verstek tot acht jaar gevangenisstraf wegens grootschalige cocaïnesmokkel en betrokkenheid bij een criminele organisatie. De veroordeling had tot gevolg dat internationale verplaatsingen hem blootstelden aan arrestatie in landen die rechtshulpverdragen naleven. Dat gegeven maakte diplomatieke uitnodigingen tot potentiële valstrikken en staatsbezoeken tot gokjes met handboeien als inzet.
Een internationale politiedeskundige met ervaring bij Interpol plaatst dit in perspectief. Volgens de expert is het een klassieke misvatting dat politieke functies immuniteit verschaffen tegen bestaande strafvonnissen. “Een vonnis verdwijnt niet door een ambtseed. Zodra iemand een jurisdictie binnenkomt waar het vonnis uitvoerbaar is, kan aanhouding volgen. Voor politici met een verleden is niet-reizen vaak risicobeperking, geen deugd.”
De satire schuilt in de omkering van het narratief. De afwezigheid van reisdeclaraties wordt gepresenteerd als staatsmanschap, terwijl het feitelijk een juridische schaduw was die meereisde zonder paspoort. Dat de staatskas werd ontzien is een bijeffect, geen beleidskeuze.
Brunswijks loopbaan toont daarmee een paradox van macht en beperking: nationaal onaantastbaar, internationaal kwetsbaar. In die zin bleef de koffer dicht, niet uit liefde voor de schatkist, maar uit angst voor de douane.
