Onderwijsstructuur, stemgedrag en ontwikkelingscapaciteit van Suriname

De stemgerechtigde leeftijd in Suriname is 18 jaar. Uit de cijfers aangehaalde verdeling volgt dat circa 50 tot 60 procent van het electoraat maximaal lager onderwijs, mulo, lbo of vwo heeft gevolgd, al dan niet afgemaakt. Ongeveer 18 tot 20 procent beschikt over mbo-niveau, 12 procent over hbo-niveau en slechts 5 tot 7 procent over een academische opleiding. 

Deze cijfers zijn niet officieel gevalideerd, maar zij geven een plausibel beeld van de onderwijsstructuur binnen het electoraat en daarmee van het cognitieve en informatieverwerking niveau waarop democratische keuzes grotendeels tot stand komen.

Een democratie wordt numeriek bepaald door de meerderheid. In dit geval betekent dit dat 70 tot 80 procent van de kiezers geen hoger beroeps- of academische scholing heeft genoten. Dat impliceert niet automatisch irrationeel stemgedrag, maar vergroot wel structureel de gevoeligheid voor simplistische boodschappen, persoonsverheerlijking, etnische mobilisatie en korte-termijnbelangen. 

Politieke partijen en machtsgroepen stemmen hun communicatie hier rationeel op af. Het gevolg is een beleidsomgeving waarin inhoudelijke langetermijnplanning, institutionele continuïteit en complexe hervormingen structureel worden ontmoedigd. De weerslag hiervan is zichtbaar in De Nationale Assemblee en in overheidsinstituties, waar politieke loyaliteit en informele netwerken vaak zwaarder wegen dan expertise en prestaties.

De vraag of een land zich met deze data naar een hoger ontwikkelingsniveau kan tillen, moet bevestigend maar conditioneel worden beantwoord. Ontwikkeling wordt niet primair geremd door het electoraat, maar door het ontbreken van corrigerende instituties. Landen met vergelijkbare onderwijsprofielen zijn vooruitgegaan door sterke ambtelijke kaders, strikte handhaving en depolitisering van sleutelposities.

Correctie vereist drie parallelle sporen. Ten eerste investering in basisonderwijs en functionele geletterdheid, gericht op begrijpend lezen, rekenen en kritisch denken. Ten tweede institutionele hervormingen die besluitvorming en benoemingen loskoppelen van electorale en etnische druk. Ten derde politieke educatie en media-regulering om informatiekwaliteit te verhogen.

De tijdshorizon is ongelijk. Institutionele correcties kunnen binnen 3 tot 5 jaar effect hebben. Verbetering van het onderwijsprofiel van het electoraat vergt minimaal 10 tot 15 jaar. Structurele economische en bestuurlijke volwassenheid vraagt eerder 15 tot 20 jaar. Zonder deze lange adem blijft de democratie numeriek stabiel, maar inhoudelijk fragiel.

error: Kopiëren mag niet!