Dat de president het probleem nu “zal bespreken met de minister van Onderwijs” klinkt bestuurlijk correct, maar inhoudelijk hol. De misstanden in het beroepsonderwijs zijn geen plotselinge calamiteit. Achterstallige salarissen, slechte faciliteiten en ongelijke behandeling ontstaan niet in stilte. Ze groeien, maand na maand, zichtbaar voor iedereen die kijkt. De vraag is dus niet wat er nu wordt besproken, maar waarom er zes maanden niets is gezien.
President Jennifer Geerling Simons noemt het niet uitbetalen aan werkende leerkrachten ernstig. Dat klopt. Maar ernst ontstaat niet op de dag van een petitie. Ernst bestond al toen docenten maandenlang bleven lesgeven zonder loon. Waar was de zogenaamde quick scan van het ministerie? Wat is die scan waard als de meest basale indicator niet oplicht: mensen werken en krijgen niet betaald.
Satirisch gezien lijkt het systeem te functioneren als een rookmelder zonder batterij. Pas wanneer de bond publiekelijk aanbelt bij het staatshoofd, wordt vastgesteld dat er rook is. Dat leraren geen waarschuwing zouden hebben gegeven, is onhoudbaar. Wie zes maanden geen salaris ontvangt, is zelf de waarschuwing.
Het echte probleem is niet dat de president nu wil praten met de minister, maar dat praten wordt gepresenteerd als actie. Besturen is vooruitzien, niet reageren op een petitie. In het beroepsonderwijs blijkt zelfs zes maanden achterstand bestuurlijk onzichtbaar. Dat is geen incident, dat is een systeemfout.
