Zodra je salaris in Suriname op je bankrekening staat, denk je dat het veilig is. Het staat netjes op het scherm, met cijfers en komma’s. Maar in werkelijkheid is je geld meteen “op pad”. Het ligt niet rustig te wachten tot jij het nodig hebt. De bank gebruikt het. Niet voor jou, maar voor zichzelf.
Als Surinamer merk je dat langzaam. Je saldo blijft hetzelfde, maar alles in de winkel wordt duurder. Brood, benzine, schoolspullen. Je geld wordt minder waard, zonder dat iemand het van je afpakt. De bank zegt niets verkeerds te doen. Alles is volgens de regels. Dat is juist het slimme deel.
Je krijgt soms een klein beetje rente, bijna onzichtbaar.
Tegelijk betaal je kosten voor je rekening, voor pinnen, voor overschrijven. Inflatie doet de rest. Aan het eind van het jaar kun je minder kopen dan aan het begin, terwijl jij hard hebt gewerkt.
De bank voelt veilig. Dat is ook de bedoeling. Veiligheid maakt mensen rustig en rustige mensen stellen geen vragen. In Suriname hoor je dan: “Laat het daar maar staan, het is beter dan onder je matras.” Dat klopt, maar het betekent niet dat je wint.
Je geld werkt elke dag. Alleen niet voor jou. En dat is misschien wel de grootste grap van allemaal
