Een karikatuur is geen portret en pretendeert dat ook niet te zijn. Het is een bewuste vertekening van herkenbare kenmerken, bedoeld om een idee, houding of machtspositie zichtbaar te maken. Waar een foto registreert wat het oog ziet, interpreteert een karikatuur wat het verstand vermoedt. Daarom is vergelijken met een echte foto analytisch onjuist. De karikatuur werkt met overdrijving, selectie en symboliek, niet met natuurgetrouwe weergave.
Zoals bij Donald Duck en Mickey Mouse weet de kijker instinctief dat het geen realiteit betreft. Toch herkennen we menselijke eigenschappen: ijdelheid, naïviteit, macht, domheid of slimheid. Die figuren spiegelen gedrag, geen gezichten. Dat mechanisme geldt ook voor politieke of maatschappelijke karikaturen. Een groot hoofd kan staan voor ego, een kleine romp voor gebrek aan daadkracht, een kromme rug voor morele buigzaamheid. Het afgebeelde persoon is niet het doel, maar het middel.
Volgens een cartoonist is de kernvraag nooit: “Lijkt het?” maar: “Raakt het?”
Een karikatuur wil blootleggen wat in toespraken wordt verhuld en in persfoto’s wordt gepolijst. Juist omdat het geen evenbeeld is, ontstaat ruimte voor kritiek zonder letterlijke beschuldiging. De knipoog is essentieel. Humor opent de deur waar een betoog weerstand oproept.
Historisch verschenen de eerste gedrukte karikaturen al in de zestiende en zeventiende eeuw, met name in Italië, Frankrijk en Engeland. Kunstenaars gebruikten houtsneden en etsen om pausen, koningen en adel te bespotten. In de achttiende eeuw groeide de karikatuur uit tot een massamedium via pamfletten en kranten, parallel aan de opkomst van de publieke opinie.
De karikatuur is daarmee geen belediging, maar een analytisch instrument. Ze vereenvoudigt om te onthullen, vervormt om te verduidelijken en lacht om te laten denken. Dat is haar functie en haar kracht.
