āZe keken me aan en zeiden: āJe bent zo klein⦠hoe ga je een kind dragen?ā
Ik glimlachte en zei: āMet liefde.ā
Eind jaren tachtig adopteerde ik Marcus. Een alleenstaande man met achondroplasie paste niet in het plaatje dat men verwachtte bij een adoptiekantoor. Ik hoorde twijfels en waarschuwingen, maar tekende toch. Ik wilde vader zijn, en hij had iemand nodig die niet zou weggaan.
Ik droeg hem overal: op mijn heup, op schoot, in een draagzak die ik drie keer aanpaste. Hij groeide op tot een sterke, actieve jongen. Met de jaren werden mijn benen zwakker. Nu buigt hij zich en zegt: āKom op, papa. Ik heb je.ā
Ik gaf hem liefde. Nu draagt hij die liefde terug.
